Commentaar: Computeronderzoek naar Wilhelmus niet het eind van alle tegenspraak

Wilhelmus
Handschrift van het Wilhelmus waarbij Marnix als auteur genoemd wordt. beeld RD RD

Bij het begin van een wedstrijd heffen Nederlandse voetballers een tekst aan die, volgens het nieuwste onderzoek, geschreven is door de bekendste psalmberijmer uit de geschiedenis. Toe­gegeven, bijna niemand kent de woorden, maar toch. Alle Nederlanders zingen Datheen als ze het Wilhelmus zingen.

Vlaamse en Nederlandse wetenschappers hebben via de computer teksten van allerlei dichters uit de zestiende eeuw geanalyseerd. Elke dichter kenmerkt zich door unieke woordpatronen, die door de computer herkend worden. Zo kan de grootste kanshebber voor het auteurschap van het Wilhelmus worden vast­gesteld. En dat blijkt Datheen te zijn.

Het nieuws haalde alle media. Natuurlijk, want de vraag naar de schrijver van het Wilhelmus is al eeuwen­oud en heeft een bijna magische uitwerking op het publiek. Soms denk je: Dat wéten onderzoekers, en daarom keren ze altijd weer naar dit onderwerp terug om nieuwe vermoedens te uiten, nieuwe mogelijkheden voor te stellen.

Datheen is nooit eerder zo serieus genomen als moge­lijkheid: hij had de naam niet zo’n goede dichter te zijn. Overigens, het feit dat hij te boek staat als fanatieke calvinist doet het imago van het Wilhelmus ook niet meteen goed. Als een volkslied een lied van alle Nederlanders moet zijn, dan helpt het immers niet om te denken dat de auteur een gereformeerde predikant was die in een later stadium van de strijd zelfs in conflict raakte met Willem van Oranje over de grenzen van de godsdienstvrijheid.

Niettemin blijft het nieuwe onderzoeksspoor heel verrassend en interessant. Alleen is de vraag: hoe geloofwaardig is het precies? Veel mensen hebben snel de neiging om alles wat met computeronderzoek, statistiek, getallen en cijfers te maken heeft, te beschouwen als absoluut gezaghebbend. Maar dat is natuurlijk niet zo. Zeker bij het onderzoek van teksten –ook de diverse Bijbelboeken zijn regel­matig voorwerp van dit soort onderzoek– is de computer bepaald niet het eind van alle tegenspraak.

In dit geval kun je je bijvoorbeeld afvragen: Zou er geen werk van een anonieme, niet-onderzochte dichter zijn dat nóg meer overeenkomsten vertoont met het Wilhelmus dan het werk van Datheen? En klopt de uitkomst wel met alle gegevens die er over auteur en historische context bekend zijn?

De kunst blijft om als wetenschapper de argumenten die de computer aanlevert, goed te wegen en aan te vullen met argumenten van buiten de tekst. Dat doen de Wilhelmusonderzoekers ook. En daar begint dan meteen de discussie met andere kenners van het Wilhelmus, en andere kenners van het werk van Datheen, want niet iedereen is meteen overtuigd.

Dat is ook het beste wat het Wilhelmus overkomen kan. Dat de discussie voortduurt, en dat niemand ooit het laatste woord spreekt. Maar vooral: dat deze diepchristelijke tekst dankzij al dat nieuwe, mooie en verrassende onderzoek levend blijft, en los van de namen van partijdige dichters –behalve calvinisten zijn er in het verleden ook lutheranen en humanisten als mogelijke auteurs genoemd– zijn zeggingskracht behoudt.