Christen en werk

Stratenmaker. beeld RD

Christenen zijn het aan zichzelf en aan anderen verplicht om steeds opnieuw de vraag te stellen naar de relevantie van hun geloof voor het werk dat ze doen. Dat was vrijdag het belangrijkste thema in de rede Bezieling & Professionaliteit van dr. J. van der Stoep, die als lector verbonden werd aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE).

Van der Stoep gaat, samen met andere organisaties en ook in andere landen, onderzoek doen naar hoe christenen in hun werk hun overtuiging kunnen en mogen uitdragen.

Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een thema waarover weinig te zeggen is. Maar wie scherper inzoomt, beseft dat er in de praktijk tal van vragen zijn als het gaat over dit onderwerp.

Om er maar eentje te noemen: wat moet een christelijke school doen als een docent geen dagopening meer wil houden omdat er ook veel studenten zijn die geen christen zijn?

ANP-71917832Docenten tobben met dagopening

Het ontstaan van deze vragen laat zien dat bijvoorbeeld christelijke organisaties niet klaar zijn als er goede uitgangspunten voor het beleid zijn geformuleerd of als er een mission statement is aangenomen vol prachtige zinnen. Zeker ook in het werk geldt dat een christen vooral door zijn daden mag en moet laten zien dat hij christen is. De werkomgeving is in veel gevallen geen evangelisatie-instituut in de strikte zin van het woord. Maar in de manier waarop je omgaat met managers, ondergeschikten, collega’s en relaties toont een christen, als het goed is, zijn diepste levensovertuiging.

Durf je als leider te dienen? Kun je als medewerker gezag aanvaarden? Is er een besef dat diversiteit, mits goed ingezet, een voordeel is in plaats van een nadeel? Is er een eerlijke benoeming van fouten en het kwade?

Maar ook: durft een christelijke instelling van haar medewerkers zaken te eisen die ze aan haar eigen uitgangspunten verplicht is? En moet het bijvoorbeeld een schoolleiding niet te denken geven als er veel studenten op de school rondlopen die niets meer hebben met het christelijk geloof? Wat betekent dat voor je uitgangspunten en voor de manier waarop je een christelijke onderwijsinstelling wilt zijn?

De reformatoren stelden dat ook het werk van niet-geestelijken een goddelijk beroep is. Dat was een scherpe correctie op de gangbare opvattingen destijds. Tegelijk zien we zeker in onze moderne, jachtige tijd dat mensen –ook christenen– van dat werk een afgod kunnen maken.

Christelijke inspiratie kan bewaren voor het vervallen in uitersten. Of, om Van der Stoep te citeren: „Werk is meer dan alleen maar een bron van inkomen. Het is ook meer dan een middel om status op te bouwen of een plekje in de samenleving te verwerven. Vakmanschap is een manier om God te dienen. Door het werk dat je doet, laat je iets van God zien, ben je een beelddrager van God.”