Afzien van operatie vereist deskundige uitleg

beeld ANP, Vincent Jannink

Soepel en snel bewegen is een lastige opgave zonder goed functionerende knie. Dit lichaamsdeel draagt de mens en bepaalt voor een deel ook zijn houding. Diverse spreekwoorden brengen dit tot uitdrukking. Wie ”slappe knieën” heeft, of bij de minste of geringste weerstand al ”door de knieën gaat”, is weinig stavast en staat te boek als een wankelmoedig mens.

Gelukkig is ons land rijk aan instellingen, zowel ziekenhuizen als zelfstandige behandelklinieken, waar aandoeningen aan dit vitale lichaamsdeel kunnen worden verholpen; met het vakmanschap dat daarvoor is vereist. Dat artsen daarbij prudent te werk willen gaan, bleek onder meer in 2010. Leden van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV), de beroepsvereniging van de orthopedie, spraken toen af zich behoedzaam op te stellen bij verzoeken van de patiënt om een meniscusoperatie. Geen haastige spoed meer, was daarbij het motto, maar juist het tegendeel.

Het mes dient pas te worden gehanteerd als een laatste redmiddel, zo verwoorden artsen het in een herziene richtlijn. Dat wil zeggen: als de combinatie van rust en/of fysiotherapie en/of pijnstilling niet werkt.

Uit een zorgvuldig uitgevoerde rondgang van het onderzoeksplatform Follow the Money, zaterdag, bleek dat helaas nog niet elke orthopeed deze richtlijn goed tussen de oren heeft. Het mes voor de artroscopie komt nog frequent tevoorschijn; ook bij oudere patiënten bij wie de veroudering zijn tol begint te eisen. Dat roept vragen op, omdat de ingreep juist bij hen meestal niet zinvol is.

Wat gaat hier mis? Uitgerekend het aantal meniscusoperaties in de leeftijdscategorie 40-65 jaar is in de periode 2005 tot 2014 blijven steken op een relatief hoog niveau. Kennelijk maakten de zorgverzekeraars het de ziekenhuizen die onverstoorbaar bleven doorgaan met het insturen van declaraties voor ingrepen bij deze patiëntgroep niet al te moeilijk. Dat is vreemd, aangezien het controleren of de prijzige ziekenhuiszorg wel zinvol en doelmatig wordt verleend toch echt een taak is die aan de Achmea’s, de VGZ’en en CZ’en van deze wereld is toebedeeld.

Overigens moet daar wel aan worden toegevoegd dat het bepaald geen verbetering zou zijn als specialisten in het vervolg bij elke artroscopie apart moeten motiveren waarom de patiënt toch onder het mes is gegaan. Daarvoor heeft de verantwoordingscultuur in de zorg al veel te groteske proporties aangenomen. Beter zou het daarom zijn als de arts in staat wordt gesteld om de patiënt rustig uit te leggen dat afzien van een ingreep geen botte bezuiniging is, maar ook alles te maken heeft met het streven naar kwaliteit.

Uiteraard is ook daarmee kostbare tijd gemoeid, maar er is alle reden om zo’n gesprek te zien als een investering. De basis voor een zinnig en gepast gebruik van zorg begint nog altijd bij goede voorlichting in een vertrouwenwekkende omgeving. De spreekkamer van de arts is daarvoor bijzonder geschikt.