Column: Worden als een kind

„Meer dan eens roept de Heere Jezus op om aan de kinderen een voorbeeld te nemen.” beeld iStock

Verontwaardigd waren ze. Boos en ook verdrietig. Twee zusjes van vijf en zes. Een van hen huilde met lange uithalen. Zo kwamen ze thuis. Het buiten spelen was ineens afgebroken. Het was juist zo leuk geweest. Maar nu kwamen ze terug. Vol van hun verhaal, dat er met horten en stoten uitkwam.

Er waren andere kinderen op het speelveldje geweest. Daar waren kinderen bij die vloekten. Niet één keer. Maar telkens weer. Dat mag niet van God, hadden ze gezegd. God? was het antwoord geweest. God? Die bestaat niet eens! Dat gaf schrik. Grote schrik. De twee, ze hadden niets meer gezegd. Maar waren vlug naar huis gegaan. Helemaal overstuur. Met hun verhaal. En hun verdriet. En vooral: hun verontwaardiging.

Op meer dan één plaats in de evangeliën roept de Heere Jezus op om aan de kinderen een voorbeeld te nemen. „Voorwaar zeg Ik u: indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan” (Matth. 18). Het is als de discipelen druk bezig zijn om zichzelf belangrijk te vinden. Dan zet de Heere Jezus een kind midden in hun kring. En Hij wijst op dat kind.

Ik had er tot dusver zó nog nooit bij stilgestaan. Maar nu bedenk ik: zou Hij soms ook dit bedoeld hebben? Te worden als zo’n kind. Niet alleen: zo onbevangen als een kind. En niet alleen: zo vertrouwend als een kind. Maar ook: zo verontwaardigd als een kind. Zo oprecht verontwaardigd zoals alleen een kind kan zijn. Met echt en ongeveinsd verdriet. Omdat het aangetast is in zijn of haar prille en pure godsbesef.

Er zijn in de Bijbel heel wat woorden te vinden die boosheid en toorn als zonde aanmerken. De apostel Paulus legt er in zijn diverse brieven nogal wat nadruk op. „Alle bitterheid en gramschap zij van u geweerd” (Ef. 4). „Legt gij dit alles af: gramschap, toornigheid...” (Kol. 3). De apostel rekent de toorn tot de werken van het vlees (Gal. 5). En Jakobus schrijft klip-en-klaar: „De toorn van de man werkt Gods gerechtigheid niet” (Jak. 1). Verontwaardiging en boosheid, we geven er de duivel een plaats mee in ons hart.

Maar er is in de Heilige Schrift ook een andere kant. De vraag is: Wat is de drijfveer van mijn boosheid? Wat heeft me ertoe gebracht om zo verontwaardigd te zijn? Is juist de Heere Jezus niet het voorbeeld bij uitstek van heilige verontwaardiging? We weten van Zijn woede als de tempel, het huis van Zijn Vader, ontheiligd wordt. Niet minder wanneer de discipelen de kinderen van Hem willen weren. Nog een voorbeeld. Eens is Hij in de synagoge van Kapernaüm. Het is op de sabbat. Daar is op die dag ook een man met een verdorde hand (Mark. 3). Schijnvrome lieden beloeren de Meester om te bezien of Hij het vandaag zou doen: die man genezen. De Heere Jezus weet het wel. Aan hen stelt Hij de vraag of het geoorloofd is op de sabbat goed te doen of kwaad te doen. Ze zwijgen. En dan lezen we: Hij ziet hen met toorn aan, verontwaardigd als Hij is. Maar er staat nog iets bij: Jezus is tegelijkertijd bedroefd over de verharding van hun harten...

Terug naar die twee meisjes. Ze waren boos en verdrietig. Omdat ze kinderlijk aanvoelden: de Heere wordt tekortgedaan. Ongelooflijk, te zeggen dat Hij niet zou bestaan. In hun geschokte reactie toonden ze het beeld van de Heere Jezus. Die was in deze geschiedenis ook verontwaardigd, maar niet minder verdrietig. Beide! Omdat de eer van Zijn Vader tekort werd gedaan.

„O Vader, dat Uw liefde mij blijk. O Zoon, maak mij Uw beeld gelijk. Verlos mij van de zonde van wegkijken en negeren als het gaat om Uw dienst. Maak me als een kind dat verdrietig en boos is als Uw eer in het geding is. En leer mij Uw Naam te belijden, ook als het mijn eigen naam kost. Om Jezus’ wil.”

Reageren? welbeschouwd@refdag.nl