Column: Voetveer

Helaas is het kerkje in Dalem in onbruik geraakt, toen ook uit deze plaats het geloof in God begon te verdwijnen. beeld Google Streetview

Mijn ‘oudste vriend’ (48 jaar lang duurt de vriendschap al) en ik gaan op onze jaarlijkse ‘queeste’ naar Brakel. Hij haalt me op en we rijden naar Gorinchem, tot buiten de Waterpoort. We lopen naar het pontje dat ons naar Woudrichem zal brengen.

Even later zitten we op het dek. Het zonlicht flonkert op de golven en een warme wind streelt onze huid. Aan de overzijde doemt de plompe kerktoren van Woudrichem op en daarachter het ongenaakbare Slot Loevestein.

In Woudrichem lopen we over de wal. Ooit, toen we veertien waren, hadden we onze eerste vakantie samen in een tentje in de boomgaard van een tante in Spijk. We gingen toen ook naar Woudrichem en liepen over deze wal. Ineens zie ik weer voor me hoe we daar toen een jonge gierzwaluw zagen liggen op de muur (gierzwaluwen kunnen als ze eenmaal op de grond zijn terechtgekomen niet meer opvliegen) en hoe we hem voorzichtig hebben opgenomen en in de lucht gegooid, waarna hij zijn vrijheid tegemoetvloog. Nu lopen we hier weer, zo veel jaren later.

We zijn in die jaren verschillende wegen gegaan. De een als kunstenaar en de ander als leraar, de een als atheïst en de ander als theïst. Maar ergens zijn we nog steeds die jongens van veertien die we toen waren.

Even later komen we aan bij het voetveer naar Loevestein: een simpele sloep met een buitenboordmotor. Daar hangt aan de overkant in een houten wachthuisje een bel, waaraan je moet klingelen om de veerman te roepen. De middeleeuwen zijn hier nog voelbaar en je waant je in het droefmooie boek ”De veerman en de jonkvrouw” van Filip De Pillecyn.

Omdat het vandaag maandag is, vaart het voetveer helaas niet. Daarom roepen we voorbijvarende schippers aan. Nadat heel wat poenige jachteigenaren ons stug negerend of zwembewegingen met hun armen makend voorbij zijn gevaren, is een visser bereid om ons met zijn bootje over te zetten. Bij de oeverwal gekomen, lopen we over het pad naar Loevestein en vandaar kilometers verder door de uiterwaarden van de Waal naar Brakel. De wilgenroosjes bloeien, een buizerd zweeft boven ons en lome koeien staan onder de wilgen op een landtong bij de rivier.

Bij het pontje van Brakel pauzeren we even. Terwijl de pont heen en weer vaart, spreken we over geloof versus ongeloof aan de hand van de door mij geliefde C. S. Lewis en over de favoriete roman van mijn reisgezel, ”Lichtjaren” van James Salter.

Dichter bij elkaar dan in de volgende zin uit ”Lichtjaren” kunnen we niet komen: „Hij dacht (...) aan de gulheid van het leven alsof die hem had verrast, als een plotselinge onhoorbare golf die een strandwandelaar overvalt, zijn broek en zijn haar kletsnat maakt. En toch kwam er nu, getroffen door die golf, een gevoel van aanvaarding over hem, van genoegen zelfs. Hij was aangeraakt door de zee, dat grootste van de aardse elementen, zoals iemand wordt aangeraakt door de hand van God. Het was niet langer nodig bang te zijn voor zulke dingen” (blz. 228).

We stappen op de pont en varen naar de overkant. Daar lopen we langs de Waaldijk terug. Bij Fort Vuren drinken we een amberkleurige pint van het plaatselijke brouwsel in De Drie Mutsen. We verzamelen moed om weer verder te gaan, de laatste 5 kilometer.

Even later zijn we weer op weg. De dijk slingert hier in een grote s om het fort heen. We naderen Dalem en blikken op de gevelsteen van het hervormde kerkje, met daarop de woorden die me ook nu weer treffen: „Den Christenen van Dalem tot eene Oeffen-schoole van geloof, hoop en liefde.” In gedachten zie ik de generaties mensen die hier naar de oefenschool gingen. Helaas is het kerkje in onbruik geraakt toen ook uit Dalem het geloof in God begon te verdwijnen.

De zon staat nu recht voor ons en begint licht te dalen en warmrood van kleur te worden. Het loopt tegen zessen. De mensen zijn in hun huizen en je kunt hen vanaf de dijk in hun woonkamers aan tafel aan de maaltijd zien zitten.

Het wordt stil op de dijk. In de verte doemen de contouren van de kerktorens van Gorinchem op. De gesprekken vallen langzaamaan stil. We voelen het gloeien van de zonnewarmte op onze hoofden en horen alleen nog maar de cadans van onze voeten. Nu is er alleen maar dit. En we worden aangeraakt.

Dr. Ewald Mackay is historicus en filosoof. Hij is werkzaam als docent geschiedenis, cuma en filosofie aan Driestar hogeschool te Gouda. Reageren? rubriekforum@refdag.nl