Column: Refo in ’t museum

Als refo’s zijn we folklore geworden. Voor een paar euro kan men zich aan ons vergapen. beeld Museum Catharijne Convent

Dieper kunnen we niet zinken. Als refo’s staan we in het museum. In het Museum Catharijneconvent. „Ga deze zomer mee op reis naar de Nederlandse Biblebelt, een gebied waar veel orthodoxe christenen wonen.” Franca Treur en Jan Siebelink vertellen de bezoekers hoe wij geloven en doen. Binnen twintig jaar zijn we in de beeldvorming getransformeerd van Taliban op klompen tot vermakelijke refo’s op spekzolen. Ik weet niet wat erger is. We zijn folklore geworden. Vergelijkbaar met de Amish. Voor een paar euro kan men zich aan ons vergapen. Het is nu erop wachten dat men voor een bepaald bedrag een weekje mag verblijven in een heus refogezin. In de noodzakelijke vaccinaties wordt voorzien door het reisbureau.

Ik begrijp dat we niet onsympathiek worden tentoongesteld. Bijzondere mensen, maar ongevaarlijk. Aandoenlijk karakteristiek. Maar zeker niet relevant. Iets van vroeger waar je je over kunt verbazen, maar vooral schouderophalend aan voorbij kunt gaan.

Ik ril ervan. Ik heb altijd gemeend dat de reformatorische gezindte in potentie veel kan betekenen voor de kerk in Nederland en de samenleving. Niet omdat onze gezindte zo fraai is. Ik denk aan kneuterige kleinzieligheid. Kerkelijke versplintering. Het verabsoluteren van kleine tradities. Fouten toedekken met vrome praat. En zo is er nog meer te noemen.

Maar daar staan zaken tegenover die bij uitstek in de gereformeerde gezindte zijn bewaard. Denk aan het gezag dat wordt toegekend aan de Bijbel als het levende Woord van God. De centrale plek die de prediking inneemt. De zondagsrust. Onmisbare noties, zoals Gods soevereiniteit en heiligheid, het zondaar-zijn van de mens, verkiezing en verbond, de noodzaak van wedergeboorte, persoonlijk geloof en bekering. Maar ik noem ook de grote vrijgevigheid van onze gezindte. Het omzien naar elkaar wordt breed beoefend. Zonder veel kabaal, gewoon de ander zien en helpen.

Al deze noties zouden voor christelijk Nederland zo relevant zijn. Juist in kringen waar alles uit de klassiek-christelijke traditie vloeibaar wordt. Rond verzoening, schepping, samenlevingsvormen, gender, hel en hemel. Er worden zuilen geslecht, maar men gooit met het badwater het kind weg.

Waarom kan onze gezindte die betekenis niet vervullen? Dat raakt aan het reformatorische drama. We weten niet meer wat échte genade is. We knielen op de rafels van een verdwenen tapijt. Daarom kunnen we die genade niet hartelijk en aanstekelijk vóórleven. We vullen vele preken met de noodzaak om leeggeschud te worden voor God. We moeten ‘niets’ worden voor God. En zo is het ook! Wij hebben en zijn in geestelijk opzicht niets. Maar van die leegheid hebben we een enorm verhaal gemaakt. Niets worden voor God is ook echt niets. Wij maken echter van dat ‘niets’ een heel ‘iets’. Je moet wel oprecht ‘niets’ zijn en van dat ‘niets’ ook grote indrukken hebben.

We beseffen niet dat we genade zo steeds kleiner maken. Erger nog, deze boodschap is genadeloos. We vullen ons weegschaaltje en maken ons geschikt voor Gods genade, denken we. We ploeteren en slaven ons hele leven en vragen ons verbitterd af waarom God toch niet hoort. Afstotelijke twijfel en halfheid resteren. Maar God nodigt goddelozen. Hij geeft alles voor niets. Onze zaligheid geschiedt van Boven naar beneden. Nooit van beneden naar Boven.

Dat is eng. Dan beheersen wij God niet meer. Dan is er geen controle door ons en blijft er geen plekje voor onszelf. Daarom maken wij altijd van die loopjes naar God toe en bedenken we gestalten die geschikt zijn voor Hem. Een zondaar is echter nooit geschikt voor God. Christus is wel geschikt voor elke zondaar. Niemand kan te vroeg tot Jezus gaan. Léés het pareltje ”De natuur en gronden van het geloof” van Jacobus Koelman.

Onze gezindte zal pas vruchtbaar zijn voor heel de kerk en heel de samenleving als deze genade wordt herontdekt. Dat kan in een seculiere samenleving uitlopen op de brandstapel, maar dat is verre te verkiezen boven een plekje in het museum.

De auteur is directeur van de NPV en senator voor de SGP.