Column: Of het nu landt of niet, als wij het maar goed gezegd hebben

"De wachter en de boodschapper" van kunstenaar Jan den Ouden. beeld RD, Henk Visscher

De waarheid zeggen, daar zijn wij reformatorische mensen goed in. Maar er is een vraag die we soms vergeten te stellen: Zou de boodschap bij de ander ook overkomen? Vooral jongeren krijgen moeite met die houding.

In het auditorium van ons bedrijf staat een mooi beeld van kunstenaar Jan den Ouden. Je ziet als toeschouwer een toren met daar bovenop twee gehelmde en geharnaste mannen. De wachter en de boodschapper. De een heeft een speer in de hand, de ander een bazuin. Ze dragen een wapenrusting, ze hebben de taak om de eigen versterkte stad te verdedigen en buitenstaanders de Bijbelse boodschap te brengen.

Dat beeld laat precies zien hoe onze voormannen de functie van het Reformatorisch Dagblad altijd hebben gezien. Verdedigen, waarschuwen, getuigen. Vanuit het besef dat Gods geboden heilzaam zijn voor alle mensen en dat Jezus Christus de enige Weg tot behoud is.

Tegelijkertijd is er binnen de gereformeerde gezindte al jaren een ontwikkeling gaande waardoor dat beeld barsten gaat vertonen. Neem de SGP, die van ”getuigenispolitiek” steeds meer overgeschakeld is op ”overtuigingspolitiek”. Neem de kerken, die zich bescheidener opstellen bij het evangelisatiewerk: geen folderacties of zeepkisten, maar intermenselijke contacten. Neem de zendingsorganisaties, die een nieuwe visie op zending ontwikkelden: geen zendelingen sturen, maar mensen die ergens gewoon een baan zoeken en door hun manier van leven hun omgeving nieuwsgierig maken naar het christendom. Relatie en respect zijn de sleutelwoorden.

Vorig jaar bleek uit Amerikaans onderzoek dat veel jonge mensen (geboren tussen 1980 en 2000) moeite hebben met zending en evangelisatie, óók als ze zelf overtuigd christen zijn. Ze vinden dat missionaire activiteiten vaak gepaard gaan met een houding van ”de waarheid in pacht hebben”, en dat ze niet getuigen van ”respect” en ”de ander in zijn waarde laten”. Maar tegelijkertijd hebben juist deze jongeren in de praktijk veel contact met andersdenkenden en gaan ze vaak over het geloof in gesprek. Veel meer dan oudere generaties.

Daarmee is een belangrijk punt aan de orde: hoe meer contacten en gesprekken met andersgelovigen, hoe voorzichtiger en bescheidener je houding vaak zal worden. Je kijkt naar het beeld van de wachter en de boodschapper en je ziet ineens hoe dat op buitenstaanders overkomt. De eigen manier van leven beschermen en andere mensen vertellen hoe ze moeten denken of doen – hoe aanmatigend is dat? Je kunt niet langer doen alsof je dat niet begrijpt. En je vraagt je af: al die duidelijke ‘boodschappen’ die we altijd te brengen hebben, doen we dat om anderen te helpen, of doen we dat ten diepste voor onszelf en voor het applaus vanuit eigen kring? Als wíj het maar goed gezegd hebben?

Zulke vragen hangen samen met die ene, oude vraag: wat is beter, de wereld mijden en je zoveel mogelijk binnen de eigen christelijke gemeenschap ophouden, of in de wereld staan en daar zoveel mogelijk het christelijke geluid laten horen?

Het antwoord daarop hangt af van wat je doel is. Je kinderen beschermen? Mensen die nog nooit van de Bijbel gehoord hebben bereiken? De uitstraling van de christelijke gemeenschap vergroten? Zorgen dat je weerbaar blijft in een seculiere cultuur? Elk doel vraagt weer een andere benadering. En wat daarbij altijd een rol speelt (behalve leeftijd, opleiding, maatschappelijke positie), is de tijd waarin je leeft, de samenleving waarin je staat.

Er was in Nederland een periode waarin zuilen de oplossing waren voor maatschappelijke verdeeldheid. Iedereen kon bij zijn eigen groep horen en via de woordvoerders van die groep de discussie met anderen aangaan. Dat werkte goed, tientallen jaren lang. Maar nu leven we in een situatie waarin georganiseerde zuilen grotendeels zijn verdwenen, en mensen de neiging hebben om het debat maar helemaal niet meer aan te gaan. Menigeen trekt zich terug in het eigen kleine wereldje, de eigen ”bubbel”, om vandaaruit heel hard het eigen gelijk de wereld in te schreeuwen.

Politiek ”linkse” en ”rechtse” mensen verklaren op sociale media elke omgang met de andere partij taboe. Wie mee wil tellen, moet zich alleen laten zien met de juiste mensen en krijgt bakken kritiek over zich heen als hij betrapt wordt op een enigszins vriendelijke omgang met de andere partij. Denk bijvoorbeeld aan Anne Fleur Dekker, de linkse activiste die een relatie kreeg met de rechtse columnist Paul van der Bas. Of Zihni Özdil, die zich als GroenLinks-Kamerlid liet fotograferen met de rechtse opiniemaker Sid Lukassen. Allebei werden ze bedolven onder heftige scheldwoorden en verwijten.

Het is dus in onze maatschappij moeilijk geworden om met ideologische tegenstanders om te gaan. En het zou best eens kunnen zijn dat juist daar de roeping van christenen ligt voor deze tijd: laten zien hoe je het niet eens kunt zijn met de ideeën van de ander, terwijl je hem of haar toch als mens blijft accepteren en respecteren. Het lijkt misschien, vanuit de zuil gezien, een softe en weinig opmerkelijke gedachte, maar in onze samenleving is het wel degelijk iets bijzonders aan het worden.

Hoe kun je je vijanden liefhebben? Als christen ben je geroepen om dat in de praktijk te laten zien. Gewoon door vriendelijk van gedachten te wisselen met mensen met wie je het écht niet eens bent. Door niet terug te schelden als anderen grove taal gebruiken. Door te luisteren naar wat anderen te zeggen hebben, zonder dat je hun ideeën overneemt.

Er zijn wellicht tijden waarin je wachter moet zijn, en tijden waarin je boodschapper moet zijn. Maar er zijn ook tijden waarin je even van je toren moet afkomen, je speer en bazuin terzijde leggen en eenvoudig bescheiden en vriendelijk zijn. Hoe weinig heroïsch dat ook is. Hoeveel zelfoverwinning dat ook kost. En hoe weinig eer je daar in eigen kring ook mee inlegt. Maar niemand heeft gezegd dat het makkelijk zou zijn.