Column: Is gidsland Nederland met euthanasiewetgeving in moeras verzonken?

Verpleeghuisarts Catharina A. moest zich op 26 augustus verantwoorden voor de rechter in Den Haag voor de euthanasie op een 74-jarige patiënte. beeld ANP, Aloys Oosterwijk

Twee jaar geleden, in oktober 2017, kondigde procureur-generaal mr. Rinus Otte aan dat het Openbaar Ministerie (OM) een grotere rol gaat spelen in het debat over euthanasie. Justitie zou niet langer alle euthanasiezaken steevast seponeren, maar voortaan bekendmaken waarom al dan niet tot vervolging van een arts wordt overgegaan. In grensverleggende kwesties, zoals euthanasie bij dementerende ouderen en wilsonbewame personen, is de wet niet duidelijk. Via strafrechtelijke procedures wil het OM bereiken dat hierin meer helderheid komt.

Voorstanders van euthanasie toonden zich nogal verontrust, soms zelfs verbolgen over deze opstelling van het OM. De strafrechter moet zich vooral niet bemoeien met euthanasiezaken, zo vindt de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde. Artsen handelen zorgvuldig, doen hun werk met de beste bedoelingen en er zijn regionale toetsingscommissies die daarop toezien. Op basis van de huidige regeling verloopt de euthanasiepraktijk in Nederland vrijwel feilloos, zeggen ‘euthanasiasten’. De actieve opstelling van het OM maakt artsen alleen maar onzeker.

Zoekt het OM spijkers op laag water? Dat lijkt mij niet het geval. Want waarom kreeg Nederland vorige week dan een tik op de vingers van het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties? Voor de derde keer uitte dit comité kritiek op de Nederlandse euthanasiewetgeving en -praktijk. Die biedt onvoldoende waarborgen. De handelwijze van Nederland wringt met de bepaling in het zogenaamde BUPO-Verdrag die staten verplicht tot bescherming van het leven van hun burgers. Het comité laat zich kritisch uit over het feit dat een onomkeerbare handeling, namelijk het doden van iemand op diens verzoek, slechts achteraf wordt getoetst. Dat zou vooraf moeten gebeuren, zo stelt het VN-comité.

Om meer dan één reden behoeft deze kritiek serieuze overweging. Allereerst omdat de primaire taak van de staat ligt in het zorgdragen voor de veiligheid en bescherming van het leven van zijn burgers. Een wet die het plegen van vrijwillige euthanasie mogelijk maakt, kan op papier degelijk in elkaar steken, maar hoe garandeer je in de praktijk die vrijwilligheid? Zeker bij toetsing achteraf komt die wettelijke garantie niet uit de verf.

In de tweede plaats wordt bij toetsing vooraf gestipuleerd dat het geweldsmonopolie uitsluitend bij de staat berust. De gedachte dat burgers zelf over leven en dood mogen beslissen, doet afbreuk aan de democratische rechtsstaat. Een burger mag een andere burger niet het leven benemen, noodweer uitgezonderd. Met het oog op de vrijheid van de burgers en de handhaving van de rechtsorde mag de staat geweld uitoefenen. Daarvoor staan politie en leger ter beschikking. Over de inzet daarvan beslist de politiek.

Nu is een arts geen gewone burger, maar een medische professional. De huidige euthanasieregeling staat een arts onder voorwaarden toe een patiënt op diens vrijwillige verzoek te doden. Bij correcte naleving van de zorgvuldigheidseisen wordt de arts ontslagen van vervolging door de strafrechter. Bij toetsing vooraf ligt de beslissing ter zake niet langer bij de arts. Onzekerheid over eventuele strafvervolging is dan niet meer aan de orde.

In de derde plaats doet het ‘normaliseren’ van euthanasie en hulp bij zelfdoding – wat het ‘voltooid leven’-initiatief beoogt – iets met de samenleving. De onbegrensde claim op individuele zelfbeschikking ondermijnt sluipenderwijs het respect voor het kwetsbare leven en de beschermwaardigheid ervan. Mensen pretenderen onafhankelijk te zijn en willen anderen niet tot last zijn. Maar klopt dat wel met de realiteit? Vanaf onze geboorte tot de ouderdom zijn we anderen in meerdere of mindere mate tot last. Maar hangt onze menselijke waardigheid samen met onze individuele zelfredzaamheid? Of weten we ons verbonden met anderen en gevoelen we van daaruit een beroep op onze medemenselijkheid, compassie en inzet? Omdat ieders leven ertoe doet en beschermwaardig is? Als we dit morele appel gaandeweg gaan negeren, dreigen we als gidsland in het moeras te verzinken.

De auteur is directeur van de Guido de Brès-Stichting, het wetenschappelijk instituut voor de SGP.