Column: Hoopvolle berichten voor bedreigde natuur

De omzetgroei van tuincentra is toe te schrijven aan de vergroeningstrend. beeld RD, Anton Dommerholt

Doemdenken past een christen niet. Hopeloosheid evenmin. Christenen zijn per definitie hoopvolle mensen, in blijde verwachting van wat komen gaat. Mensen ook die geloven dat het God niet uit de hand loopt. Maak je geen zorgen voor de dag van morgen, roept het Evangelie ons toe. Die zorgt wel voor zichzelf. Als de hemelse Vader de vogels, de bloemen en het gras al voedt en kleedt, zal Hij dan geen zorgdragen voor ons?

Hoewel er ten diepste dus geen reden is tot paniek, is er genoeg om bezorgd over te zijn. Met grote regelmaat bereiken ons onheilspellende berichten, bijvoorbeeld inzake mondiale politiek en klimaatverandering.

Wie zijn geloof in de goddelijke voorzienigheid wil behouden, kan beter geen nieuws volgen, lijkt het soms. We hebben dan de neiging om de blijde boodschap van het Evangelie, dat er hoop is voor de toekomst, te vergeten. Psychologen spreken van een negativiteits-vooroordeel (negativity bias): negatieve informatie heeft doorgaans een grotere invloed op ons en blijft ons langer bij dan positieve.

Voorbeelden van negatieve berichtgeving zijn er te over. In nog geen maand tijd kreeg ik drie artikelen onder ogen die erop wijzen dat het er met de Nederlandse natuur slecht voorstaat. Met insecten meer in het algemeen, vlinders meer specifiek en (geloof het of niet) regenwormen gaat het bergafwaarts.

Wie dit soort berichten als ”klein nieuws” afdoet, vergist zich. Muggen kunnen we misschien nog wel missen, als kiespijn zelfs. Maar andere gevleugelde vrienden en al helemaal de o zo nuttige regenworm zijn voor ons letterlijk van levensbelang. Ze zijn essentieel voor de bestuiving, het bodemleven en het voortbestaan van andere soorten.

In alle ernst: voedt en kleedt God de dieren en de planten nog wel? Soms bekruipt je de twijfel en pakken de donkere wolken zich samen. Moeten we ons dan toch zorgen maken over de dag van morgen?

Misschien is schuldbelijdenis en boetedoening bij nader inzien meer op zijn plaats. Alles wijst er namelijk op dat we dit onheil over onszelf hebben afgeroepen. Tegen decennia van vervuiling, bodemuitputting en bouwdrift is natuurlijk geen enkel ecosysteem opgewassen. De schepping zucht onder onze bestrijdingsmiddelen en betegelde tuinen.

We zijn slechte rentmeesters van de ons toevertrouwde aarde. Het past ons dus de hand in eigen boezem te steken. De hemelse Vader voorziet wel in voedsel en kleding voor al het geschapene, maar de door Hem aangestelde beheerders falen.

Het goede nieuws is dat er tekenen zijn van inkeer. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw is aan banden gelegd; steeds meer boeren besluiten bepaalde stroken grasland niet te maaien; gemeentes stimuleren inwoners om hun tuintegels in te ruilen voor planten. En met succes: vorige week kwam naar buiten dat de omzet van tuincentra verder is gegroeid. Deze groei is toe te schrijven aan de vergroeningstrend en dus niet aan de verkoop van bestrating of bbq-spullen. Dit soort berichten geven de bezorgde burger moed. En door mijn negativity bias ben ik er vast nog wat vergeten.

Of het allemaal nog op tijd is, zal de toekomst uitwijzen. Mogelijk worden onze tuinen straks alleen nog maar bevolkt door grauwe mieren en pissebedden. En ook de argeloze duif lijkt me onuitroeibaar.

Wellicht valt het mee en tonen de bedreigde tuinbewoners zich veerkrachtiger dan gedacht. Met de nodige zorgzaamheid en inspanning van onze kant (noem het een taak, een straf of een taakstraf) is er hoop. We zullen zien wat ons nog wordt toegeworpen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

De auteur is werkzaam aan de Tilburg School of Catholic Theology. Zijn onderzoek richt zich op de verhouding tussen theologie en economie. Reageren? rubriekforum@refdag.nl