Column: Het heilige alledaagse

Het gaat niet om het doen van andere dingen, maar het gaat om het doel waarmee iets gedaan wordt. beeld iStock

Zo, de kinderen liggen op bed. Uitgeput zit je op de bank na een drukke dag werken. Een dag van werk in huis, kinderen naar school brengen, ophalen en eten koken. ’s Nachts weer uit bed om de jongste drinken te geven. Waar blijft de tijd voor jezelf? En voor God?

Ja, een paar keer op de dag zijn er momenten om uit de Bijbel te lezen en te bidden, maar weinig blijft hangen. Woorden blijven woorden en dringen niet door. Het gebed komt niet hoger dan het plafond. Zelfs de zondagse dienst is vooral een verwerking van de drukte van de afgelopen week – het enige moment in de week waarop je ongestoord na kunt denken.

Dit voldoet niet aan het ideaalplaatje. Een gestructureerd geloofsleven zoals de puriteinen dat hadden. Om vijf uur uit je bed om een uur of langer te mediteren. Intensief bidden en vasten. Dubbel zo lang bidden als je het druk hebt, zoals Luther dat gedaan zou hebben. Zeker, er zijn nog steeds mensen die dat voor elkaar krijgen. Maar bij de meesten lukt het niet. Als je ’s nachts voor een huilende baby uit bed moet en overdag aan het werk gaat, dan is er weinig tijd aan het begin van de dag. En aan het eind van de dag is het lastig om nog veel energie op te brengen om aandachtig te mediteren.

Dan is het leven als zendeling, predikant of kloosterling een stuk beter. Heel de dag in Gods dienst besteden. Voltijds werken aan het hoge doel waartoe de mens op aarde is: tot eer van God. Zonder je druk te maken over aardse zaken zoals geld verdienen, dingen produceren of het toilet schoonmaken.

Helaas, de praktijk blijkt anders: ook voor deze beroepen zijn de dagelijkse dingen er gewoon. Ook in de pastorie worden kinderen ’s nachts wakker. Ook daar raakt de gootsteen wel eens verstopt. En aan de andere kant: juist veel van de ‘heilige’ dingen worden alledaags.

Het probleem is het onderscheid dat we maken tussen alledaags en heilig. Het is niet goed om een harde scheiding aan te brengen tussen geestelijk en wereldlijk werk, tussen mediteren en werken, tussen zondag en de andere dagen van de week. Als de mens geschapen is om God lief te hebben en Hem te prijzen, dan mag dat niet beperkt zijn tot een uurtje stille tijd. Sterker nog, misschien is juist de rest van de dag wel veel belangrijker, omdat we dan midden in de wereld staan. De wereld waar Gods liefde naar uitgaat.

Onlangs kreeg ik een dun, oud boekje in handen: ”De praktijk van de aanwezigheid van God”. Gesprekken uit 1666 met lekenbroeder Lawrence, van de blootsvoetse karmelieten van Parijs.

Broeder Lawrence staat bekend om zijn leven dicht bij God. Hij heeft een hekel aan het inkopen van wijn in Bourgondië en evenzo aan het werk in de keuken. Tot hij ontdekt dat hij juist in de gewone taken veel meer Gods nabijheid ervaart dan in de religieuze plichten. Zelfs het navorsen van zonden en het belijden ervan heeft minder effect op heiliging dan het zoeken van God in zijn dagelijks werk. Hij zegt tot God: „Het is uw werk wat ik doe.” Zo kan hij vijftien jaar in de keuken staan, omdat hij daar „kleine dingen voor Gods liefde” kan doen. „Wanneer ik faal in mijn taken, geef ik het meteen toe. Ik zeg: ik doe het meestal zo, uit mezelf zal ik het nooit anders doen. Als ik niet faal, dank ik God, en erken ik dat Hij de kracht geeft.” Het belangrijkste, volgens broeder Lawrence, is om „alle gewone dingen te doen, zonder het doel om mensen te behagen, maar zoveel als mogelijk alleen vanuit de liefde tot God”. Het gaat niet om het doen van andere dingen, maar het gaat om het doel waarmee iets gedaan wordt.

Dat lijkt eenvoudig. Leven uit genade, niet alleen in het belijden van zonden, maar ook in het doen van de afwas. Daarvoor moeten we heel ons leven uit handen te geven. Inclusief het dagelijks werk. ’s Avonds geven we ons werk, of het nu af is of niet, over aan God (Psalm 4). In de ochtend nemen we onze weer taak op. Goed en recht doen in de wereld, gezegend door God, zoals Psalm 5 dat zegt. Werken, rusten, mediteren, het is allemaal voor God.

De auteur is consultant bij Lentera Papua in Indonesië en universitair hoofddocent ondernemerschap en organisatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.