Column: Geschiedenis van vervuiling

De milieugeschiedenis loopt volgens McNeill niet op een paradijselijk eindpunt uit. Beeld iStock

Het woord Heinekenprijs kan verschillende associaties oproepen. Een voor de hand liggende is die van het kassabonnetje bij aankoop van een kratje Heinekenbier.

Maar er zijn ook de Heinekenprijzen die jaarlijks door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen uitgereikt worden. Er is een verband tussen die twee. De Heinekenprijzen komen namelijk uit een fonds dat door de bierbrouwende familie is ingesteld. Dit jaar ging de A. H. Heinekenprijs (A. H. is Alfred, oftewel ‘Freddy’) voor de historische wetenschap naar de milieuhistoricus John R. McNeill, die op 26 september de bij de prijsuitreiking behorende publieklezing gaf. Hij is bekend geworden door zijn boek ”Something New Under the Sun: An Environmental History of the 20th-Century World”, verschenen in 2000. In dat boek beschrijft hij een soort wereldgeschiedenis van de milieuproblemen. Als daaruit één ding duidelijk wordt, dan wel dit: die zijn niet van vandaag of gisteren.

NcNeill heeft verrassende informatie: de koperuitstoot tijdens het Romeinse Rijk en tijdens de Songdynastie in China waren groter dan de hele periode daarna tot 1750. De oude Egyptenaren hadden al te maken met slechte luchtkwaliteit en regelmatig bezweken de leeuwen in de Londense dierentuin in de negentiende eeuw aan bronchitis door de luchtvervuiling.

Door de hele menselijke geschiedenis heen is milieuvervuiling een neveneffect van het aanpassen van onze leefomgeving aan onze behoeften. Dat de problemen volgens McNeill eerder toe- dan afnemen is geen verrassing. Sommige getallen zijn wel indrukwekkend. In de twintigste eeuw, die alweer bijna twintig jaar achter ons ligt, gebruikte de mensheid tien keer zo veel energie als hun voorouders in een heel millennium (duizend jaar)!

Dat zulke ontwikkelingen in het groot ontstaan in het klein, laat McNeill mooi zien als hij beschrijft hoe Thomas Midgley als ingenieur bij automobielfabrikant General Motors in de eerste helft van de twintigste eeuw ontdekt dat lood in benzine de prestaties doet toenemen. Na zo’n vijftig jaar werd er wereldwijd maar liefst 430.000 ton lood via de uitlaten van auto’s de lucht in geblazen. Daarna nam dat gelukkig weer af, mede dankzij nieuwe milieuwetgeving. Met de aangerichte schade hebben we nog steeds te maken.

Milieuvervuiling lijkt dus een onontkoombaar nevenverschijnsel van technologische ontwikkelingen. Je kunt er een wereldgeschiedenis over schrijven, zoals NcNeill gedaan heeft. De prijswinnaar beschrijft ook oorzaken: de behoefte aan technologie voor oorlogvoering, de menselijke wil om rijker en machtiger te worden, en de toename van de bevolking die dat allemaal nog versterkt. McNeill wil daar geen oordeel over vellen. Als historicus wil hij neutraal blijven. Toch laat hij zich in een interview ontvallen dat de milieugeschiedenis volgens hem niet op een paradijselijk eindpunt uitloopt.

Daarmee zit hij in Bijbels spraakgebruik, en dat is nooit neutraal. Zonder het wellicht te willen weten, zit McNeill hier in het hart van de zaak: we zijn het paradijs kwijtgeraakt en zullen het zelf nooit meer terugwinnen. Dat technologie altijd gepaard gaat met milieuvervuiling heeft niet allereerst te maken met onkunde of onmacht van de mens, maar met de gebrokenheid van de werkelijkheid waarin we sinds de zondeval leven. De gevolgen van die val zitten niet alleen in het hart van de mens, waardoor die oorlog voert en rijker en machtiger wil worden, maar ook in de natuur. Je zou dat de ‘doorns en distels’ van de technologie kunnen noemen. Ze hoorden er oorspronkelijk niet bij, maar nu zijn ze er en ze zijn onuitroeibaar.

Interessant is de uitweg die McNeill noemt: een revolutie in ons denken over de omgang met de natuurlijke omgeving. Hij acht het mogelijk dat de mensheid eens daartoe bereid zal zijn. Ooit is tenslotte ook de slavernij afgeschaft, die tot dan bijna een niet weg te denken onderdeel van de samenleving was.

De term ”revolutie” zou misschien beter vervangen kunnen worden door de Bijbelse term ”bekering”. Niet minder dan dat is nodig. Maar dan zal het ook een bekering tot God moeten zijn, anders wordt het dweilen met de kraan open. „Zelfs onze diepste voorkeuren kunnen veranderen”, zegt McNeill. Dat is waar, maar dan wel dankzij de werking van de Heilige Geest, Die verstokte zondaren kan omkeren zodat ze weer op God gericht worden. Zonder die Geest zal elke verandering alleen aan de oppervlakte plaatsvinden. Met die Geest hoeven pelgrims nu al niet alles meer te halen uit wat er in de huidige aarde zit. Het beste komt immers nog.

Prof. dr. Marc J. de Vries is bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Delft. Reageren? rubriekforum@refdag.nl