Column: Geloof in de polder

„Dat is iets dat buitenlanders vaak verbaast: hoe durven die Nederlanders te gaan wonen in land dat onder de zeespiegel ligt?” beeld iStock

Als je ergens op vakantie bent, is het aardig om iets te lezen over de lokale geschiedenis. Je ziet de omgeving dan met andere ogen. Wie, zoals ons gezin, de Veluwe als vakantiebestemming had, heeft keuze te over. Van K. A. Gort kreeg ik ter plaatse zijn boek over ds. Johannes Smith, die van 1742 tot 1760, tijdens de verlichting, in Putten stond als predikant van de Oude Kerk, waar wijzelf tijdens de vakantie ook kerkten. Maar omdat de column Wetenschap en Techniek niet over theologie gaat, zal ik niet verder over de boeiende inhoud uitweiden.

Meer aandacht wil ik geven aan het boek ”Het hoofd boven water houden” van dr. W. J. Hagoort, waarin hij de geschiedenis beschrijft van de Gelderse zeepolder Arkemheen in de periode 1356-1916. Als je verschillende keren door die polder gefietst hebt en bovendien zo’n boek met techniekfilosofische belangstelling leest, beleef je prachtige vakantie-uren.

Bij het lezen van dit boek bedacht ik met verbazing hoe beperkt het vak aardrijkskunde was in de tijd dat ik nog op school zat. We leerden van een landkaart allerlei landen, steden en rivieren, maar dat de geografie van ons land in niet onbelangrijke mate bepaald is door de techniek kwam helemaal niet in beeld. Nederland is een land waarvan het landschap aan elkaar hangt van polders, molens, sluizen, dammen en dijken. Een groot deel van het land zou zonder technologie nog altijd onder water liggen. Zeker met de stijging van de zeespiegel wordt het belang van technologie voor ons land alleen maar belangrijker.

Het opvallendste in het boek van Hagoort is de complexiteit van een technologische ontwikkeling als de inpoldering van een stuk zee, gevolgd door eeuwenlang onderhoud. De auteur slaagt er goed in om te laten zien dat er veel meer bij komt kijken dan een goed werkende dam of sluis. In de colleges christelijke techniekfilosofie ga ik ook in op de complexiteit van een technologische ontwikkeling aan de hand van de vijftien aspecten van de werkelijkheid zoals filosoof Herman Dooyeweerd die formuleerde. Vanuit het economische aspect zijn er randvoorwaarden van betaalbaarheid, het taalaspect laat de noodzaak van goede communicatie zien, en zo brengt elk aspect zijn randvoorwaarden met zich mee. Het is daarom veel te simpel om bij het mislukken van zo’n innovatie de ingenieurs de schuld te geven. Het is meestal het ontbreken van een goed samenspel tussen de verschillende spelers in het spel dat voor de problemen zorgt, of de goede samenwerking die het succes verklaart.

In het geval van de Arkemheen ontbrak die samenwerking door de concurrentie tussen de dorpen Putten en Nijkerk enerzijds en Harderwijk anderzijds, omdat beide partijen bestuursrechten claimden. Zowel politieke als economische belangen speelden een rol in de strijd om de zeggenschap over de polder.

Uiteraard speelt ook de techniek zelf een rol. De overgang van aarden dijk via paaldijk naar stenen dijk was alleen technisch gezien al geen sinecure. Technologische ingrepen hebben uiteraard hun uitwerking op de biologische stand van zaken in het poldergebied. Dat het ruimtelijk aspect een rol speelt, blijkt alleen al uit de term ”ruimtelijke ordening”, die we tegenwoordig hanteren voor het beleid rond dit soort ontwikkelingen. Kortom: ik zag in de loop van het boek alle dooyeweerdiaanse aspecten van de werkelijkheid de revue passeren.

Het ultieme werkelijkheidsaspect is bij Dooyeweerd het ”pistische”. Dat is het aspect waarin geloof in iets of iemand (God of mens) speelt. Het gaat dan niet alleen om de rol van religie, maar ook om het vertrouwen in (of het wantrouwen van) de technologie. Dat is iets wat buitenlanders vaak verbaast: hoe durven die Nederlanders te gaan wonen in een land dat onder de zeespiegel ligt? Het antwoord daarop is: ze vertrouwen op de dijken. Maar in het boek over de Arkemheen speelt ook de kerk een verrassende rol. Alle mededelingen over verkiezingen van dijkgraven en heemraden werden gedaan door de kosters van de verschillende kerken waar de stemgerechtigden woonden. Kerk en samenleving waren toen sterk op elkaar betrokken.

Een heel andere situatie dan nu, waarin hoogstens het kerkgebouw nog als stembureau gebruikt wordt. Op dit punt word je van het lezen van het boek van Hagoort niet vrolijk. Ook in de inhoud van de communicatie over de polder kom je (vooral in de begintijd) regelmatig verwijzingen tegen naar de ultieme Bron van vertrouwen. ”Het hoofd boven water houden”, werd in die tijd vooral gezien als een zaak van geloof in Hem Die Zelf in den beginne het droge van het water scheidde. Helaas zijn we daar veel van verloren. Reden tot gebed voor een land dat geestelijk kopje-onder dreigt te gaan.

Prof. dr. Marc J. de Vries is bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Delft. Reageren? rubriekforum@refdag.nl