Column (Enny de Bruijn): Pas op, korte lontjes!

In crisistijd zijn conflicten nooit ver weg. Beeld (in scène gezet): Sjaak Verboom

Vroeger begreep ik niet hoe het mogelijk was dat mensen juist in oorlogs- of crisistijd de grootste kerkelijke conflicten gingen uitvechten. Maar ik geloof dat ik het inmiddels beter begin te snappen.

Die kakofonie van geluiden, elke dag weer, al die opgewonden meningen van iedereen... De regering doet niks! Waarom mogen zij wel naar de kerk en wij niet naar het café? Waarom mogen zij wel in het theater en wij niet in de kerk? Iedereen een mondkapje! Je denkt toch niet dat ik een mondkapje ga opzetten? Wat een onzin! De cijfers kloppen niet! Hugo de Jonge doet het helemaal verkeerd! Rutte neemt de leiding niet! Zo snapt niemand er toch iets van? Ik doe dat lekker toch, of het nu mag of niet! Waarom eigenlijk? Wat is het nut? Gewoon strenger optreden! Alles opengooien! Alles verbieden!

Je kunt zeggen dat het iets typisch Nederlands is, dat eigenwijze gedoe en die ”ik weet het echt beter dan iedereen”-mentaliteit. Dit is gewoon de Nederlandse manier van omgaan met overheidsbeleid dat ons wel of niet bevalt. Wij denken niet als eerste: ”Gehoorzamen”, of ”Wir schaffen das”, wij denken altijd als eerste: ”Waarom eigenlijk? En van wie moet dat? Niks hoor, ik bepaal zelf wel wat ik doe!”

Maar dat het de laatste tijd allemaal zo heftig en zo verhit wordt, zal toch ook te maken hebben met stress en spanning die we ervaren. Of we het nu beseffen of niet, we hebben te maken met onzekerheid over de toekomst, zorgen over onze baan, zieken in onze omgeving, een dagritme dat verstoord is. Menigeen voelt zich op zichzelf teruggeworpen, zonder collega’s, zonder potje volleybal, zonder vriendengroepjes, zonder kerkgang of Bijbelkring, zonder uitjes in de vakantie en zonder verjaardagen of bruiloften. En menigeen wordt daar niet per se vrolijker van.

Ik merk het bij mezelf, ik hoor en zie het om me heen. Ouderen die zich opgesloten voelen in een verzorgingshuis. Jongeren die dreigen achter te raken met hun opleiding, en die somber worden omdat er niets leuks meer te doen is. Kerkgangers die genoeg hebben van alle beperkende maatregelen. Restauranteigenaren die niet weten of ze hun bedrijf kunnen redden. Kantoormensen die het helemaal gehad hebben met thuiswerken en online vergaderen, en die snakken naar dat ouderwetse praatje bij de koffieautomaat. Verpleegkundigen die boos zijn om de nonchalance van de samenleving en gewoon geen zin en energie meer hebben zich nóg eens zo in te spannen. Docenten die moe zijn van al het gedoe rond de lessen, en alle nieuwe vormen die ze er maar even bij moeten doen. Leerlingen die alle regels zat zijn.

Blijkbaar is dit hoe het in een tijd van crisis gaat. Eerst heb je de schrik, en de spontane solidariteit, en het gevoel van ”we gaan hier even goed tegenaan, en dan is het hopelijk gauw voorbij”. Maar daarna duurt het allemaal langer dan gedacht, en het blijkt helemaal niet voorbij, en het wordt alleen maar erger. En dan krijg je dus dat het allemaal nét wat minder gezellig toegaat.

Soms kun je dan de behoefte niet onderdrukken om met de vinger naar anderen te wijzen, volgens het oeroude zondebokmechanisme. De jongeren, die niet voorzichtig genoeg geweest zijn. De ouderen, die geen afstand houden. De regering, die achter de feiten aanloopt. De Nederlanders met een migratieachtergrond die zich niet aan de regels houden. De voetbalsupporters. De kerkgangers. De seculiere Nederlanders die maar doen wat goed is in hun ogen en die gelovigen niet meer begrijpen. De vakantiegangers. De virusontkenners. De anderen.

Want aan ons ligt het natuurlijk niet.

We denken allemaal graag van onszelf dat we veerkrachtig en stressbestendig zijn en dat we nergens last van hebben. Maar al die korte lontjes, die verwijten, dat gerebelleer en gemurmureer, die hartstochtelijke meningen en verhitte debatten zijn toch signalen dat we wel degelijk ergens last van hebben. En daar kunnen we ons maar beter van bewust zijn, zodat we af en toe een stapje terug kunnen doen, even nuchter naar onszelf kijken en misschien zelfs om onszelf en ons eigen gedoe lachen.

Ik heb, tot voor kort, nooit begrepen hoe het mogelijk was dat mensen juist in oorlogs- of crisistijd de grootste kerkelijke conflicten gingen uitvechten. Neem het conflict tussen remonstranten en contraremonstranten, of de Afscheiding van 1834, of de Vrijmaking van 1944. Geen misverstand, natuurlijk ging het bij zulke kerkelijke conflicten om inhoudelijke punten, die ik niet wil bagatelliseren – maar je zou toch zeggen, de mensen hadden in die oorlogs- of crisistijd warempel wel andere dingen aan hun hoofd.

Dat denk ik nu niet meer. Een tijd van crisis, met alle bijbehorende tegenslag en onzekerheid, kan mensen enorm uit hun evenwicht brengen. Eigenlijk is het logisch dat conflicten dan uitdijen, en het is goed om dat te beseffen. Die conflicten hoeven trouwens niet per se over grote dingen te gaan, het zijn vaak juist de kleine dingen waar we ons aan vastklampen. Wel of geen mondkapje, dat is de kwestie, want dat is tenminste overzichtelijk en concreet. Zolang we over mondkapjes strijden hoeven we niet na te denken over het grillige en onvoorspelbare verloop van deze crisis, waar we nauwelijks invloed op hebben.

Op dat punt onderscheiden christenen zich overigens niet bepaald van de rest van de Nederlandse bevolking. Je kunt roepen dat je op zondag naar de kerk moet, je kunt debatteren over dertig of honderd of tweehonderd kerkgangers. Maar intussen ben je zo druk met organiseren van je rechten en plichten, dat je vergeet wat in crisistijd het allerbelangrijkste is: niet de schuld op anderen projecteren en jezelf als slachtoffer zien, maar inkeren tot jezelf en je afvragen wat je zelf verkeerd hebt gedaan en verkeerd doet. Daar waren de biddagen die de overheid uitschreef in vroeger eeuwen altijd op gericht: verootmoediging.

Maar ook toen was dat makkelijker gezegd –en geschreven– dan gedaan.