Column (ds. J. Belder): Engelse ziekte

"De opmars van het Engels is niet meer te stuiten." beeld ANP, Koen Suyk

Ds. J. Belder

tekst ds. J. Belder

Er heeft een uitbraak van de Engelse ziekte plaats. De epidemie grijpt wild om zich heen. Besmettingsbronnen zijn onze universiteiten. Nu gebeuren daar wel vaker griezelige dingen. Op dit moment woedt en tiert er de schurft omdat de dames en heren het niet zo nauw nemen met hygiëne en zedelijkheid. Niet terugdeinzen voor een mijt in bed.

Erger nog is de uitbraak van de Engelse ziekte. Daar wordt pas echt onder gesteund en gekreund. Volgens de universiteitsbazen studentengereutel en geneuzel. Wat vroeger het Latijn was, is vandaag het Engels. In Beets’ ”Camera obscura” breekt student Gerrit Witse het angstzweet uit reeds bij de gedachte aan het beruchte zweetkamertje van de Leidse academie. Daar zal het artsenexamen hem worden afgenomen. In het Latijn. Maar „een stommigheid in het Hollands is dubbel zoo stom”, troost hem zijn kameraad. Alles goed en wel, maar een stommigheid in het Engels kan iemand ook nog lang worden nagedragen. Dat weet de docent wel bij wie het ”pipesteels” regende.

De opmars van het Engels is niet meer te stuiten. Het begint al op de kleuterschool. Je kunt eindeloos twisten over nut en noodzaak, voorlopig lijkt het een trekken aan het kortste eind. Maar van een student eisen teksten van Vondel in het Engels te declameren, is hilarisch. Het getuigt eerder van gekte dan van ziekte. Terecht zwengelde een hoogleraar die discussie aan in de Volkskrant.

In de reeds genoemde ”Camera” van Beets maant de heer Kegge de oude tuinbaas Barend te stoppen met potjeslatijn bij de rondleiding langs zijn planten. „Allemaal gekheid. Hoe heet het in je moerstaal, man?” Die zouden we vandaag ook weer wat meer moeten eren. Meertaligheid is prima, maar „koester het Nederlands”, schreef NRC-columnist Bas Heijne eerder dit jaar.

In Trouw ging het onlangs over „popliedjes met een flinke dosis soul, beats en blazers die het geheel een funky bite geven.” En in een lokaal blaadje vertelde iemand de hele wereld over te reizen „om localies te promoten en om content te schieten voor brands.” Wie het nog begrijpt, mag het zeggen. Misschien zijn human resource manager? Vroeger heette zo’n persoon ”hoofd personeelszaken”. In de modewereld spreken de fashionbloggers (ook zoiets) liever van heels dan van hakken. Van croptops in plaats van naveltruitjes. Hoe hip ook allemaal, maar taal is toch vooral een bindmiddel…?!

Wil je nog meetellen dan moet je verengelsen. Een kwestie van ”to be or not to be”. Voeg je in de mainstream en wees een goede teamspeler. Of zijn bepaalde typen juist infectiegevoelig voor de Engelse ziekte, de dikdoeners en de meelopers?