Column (ds. J. Belder): Een hond is het dankbaarste schepsel

beeld RD, Anton Dommerholt

Bartje bad niet voor bruine bonen. Is dat erg? Bidden is toch vragen om iets? Als kind hield ik niet van erwtensoep. Ik vroeg er niet om. Als het eenmaal op tafel stond, at je je bord leeg. Zij het met lange tanden. Je moest wel. Eten wat de pot schaft. Met verhalen over de Hongerwinter van 1944 en de uitgemergelde kindertjes van Biafra werd het ondankbare kroost tot eten gedwongen. Mijn zus vroeg zich dan hardop af of die Afrikaantjes wel van erwtensoep houden. „Honger maakt rauwe bonen zoet”, verdedigde mijn moeder haar brouwsel. „In de oorlog aten we zelfs bloembollen en suikerbietentaart. En we vonden het lekker.” En toen stond er ineens zo’n verrassing op tafel. Een onvervalste oorlogsdelicatesse: suikerbietentaart. Na de eerste hap keken we in lichte paniek naar ons bord en naar elkaar. Zus herinnerde nog even aan de kindertjes van Biafra. De oorlogsdelicatesse belandde in de tuin en wij zagen dankbaar hoe mussen en spreeuwen zich erover ontfermden.

Er zijn dingen in het leven waar je niet om vraagt en ook niet voor dankt. Niemand bidt om te mogen verongelukken en er zal ook wel niemand danken dat zijn bedrijf te gronde dreigt te gaan. En wie dankt er voor de lege plaats die in het gezin viel?

Mij viel op hoeveel boekjes er in mijn kast staan die verband houden met bidden en hoe weinig ertussen staan over danken. Dat is eigenlijk niet eens bijzonder, want volgens Calvijn loopt het echte bidden als vanzelf uit op danken, en dan vooral in de betekenis van ”aanbidden”. Bij alle nood en zorg zijn er nog zo veel weldaden die de Heere onverdiend geeft. En zodra we het juiste zicht op God krijgen, „Die in Christus als een verzoend God Zijn Vaderhart voor ons opent”, komt het met dat danken ook goed, weet Calvijn. Het werd het langste hoofdstuk in de Institutie. „Een gebed zonder eind.” Is dat niet karakteristiek voor een leven waarin Christus Koning werd? Want bidden en danken is immers spreken met God.

De hervormde theoloog Miskotte (1894-1976) ziet een duidelijk verband tussen denken, bedenken en (be)danken. God overvraagt ons niet, haast hij –die vrouw en kind tegelijk verloor– zich te zeggen. De klaagzang is ook een lied. Hij denkt aan de Psalmen, het gebedenboek van Israël en de kerk. Dank dat ik voor Gods aangezicht ook klagen mag. En zullen we Hem niet vooral danken voor het heil, voor het verzoenend en bevrijdend Woord dat Hij in de wereld bracht? Wat is het dankbaarste schepsel, vroeg Kohlbrugge? Antwoord: een hond.