Column (ds. J. Belder): Als... dan...

Precies een week geleden stonden vijftig lezers van deze krant voor het schilderij van Robert-Fleury in het Calvijnmuseum in Noyon. Het is een denkbeeldige impressie van het godsdienstgesprek in Poissy, belegd in november 1560 op initiatief van Catharina de Medici, regentes over haar zoontje Karel de negende.

De bedoeling was te komen tot een vergelijk tussen Rome en hervormingsgezinden. De Reformatie is dan al een volop politieke zaak geworden. Het Franse koningshuis is een speelbal tussen twee rivaliserende partijen, de hoge hervormingsgezinde adel en de zeer invloedrijke roomsgezinde hertog De Guise.

Op het tafereel zien we Calvijns rechterhand en opvolger Theodorus Béza, woordvoerder van de protestanten. Blik en houding van de twee roomse geestelijken spreken boekdelen. Wat denkt de koningin-moeder? Haar blik intrigeert. Zij had hoge achting voor de diplomaat-theoloog Béza, die op haar verzoek in Frankrijk bleef en zelfs aan haar hof preekte. De samenspreking mislukte, vooral vanwege de kwalijke rol van De Guise. Kort hierna werd in Vassy een protestantse kerkdienst in bloed gesmoord, waarvoor De Guise verantwoordelijk werd gehouden. Het was het begin van acht Franse godsdienstoorlogen. Had Vassy niet plaatsgevonden, zou dan de geschiedenis van Frankrijk anders verlopen zijn?

Datzelfde geldt de ”Affaire des Placards”. Koning Frans I stond niet onwelwillend tegenover hervormingsideeën, totdat radicalen antikatholieke plakkaten ophingen in Franse steden en zelfs op de deur van het koninklijke slaapvertrek. De mis heette een afgoderij. Het was de lont in het kruitvat. Was dit niet gebeurd, zou Frankrijk dan protestants zijn geworden?

Genève vraagt deze zomer bijzondere aandacht voor leven en werk van Béza, de enige van de reformatoren die ook in de zeventiende eeuw leefde. De predestinatie, de leer van verkiezing en verwerping, vult een hele zaal. Had die ook zo veel aandacht gekregen als niet de gewezen monnik Jérome Bolsec de zaak op de spits had gedreven? Steeds daagde deze arts Calvijn op dit terrein uit. Het kostte hem zelfs de vriendschap met de adellijke, uit Nederland gevluchte familie De Fallais. Béza schoot de zwakke en zieke Calvijn te hulp en verdedigde zijn bedoeling –de troost van de verkiezing– met verve. Hij maakte zelfs een schematische weergave van de predestinatie. Zou zonder het optreden van Bolsec en de ”tabel” van Béza het hypercalvinisme de uitverkiezing ook tot een noodlotsleer hebben gemaakt?