Column: De Reformatie: niet het drama, maar de stille revolutie

Standbeeld van Luther in Wittenberg. beeld RD, Henk Visscher

De Reformatie ligt weer achter ons. Althans, de herdenking ervan. Rond 31 oktober waren we weer met velen –nou ja, de opkomst laat vaak te wensen over– bijeen om de kerkhervorming in de 16e eeuw te herdenken. Vieren, wilde ik schrijven, maar dat vindt bisschop De Korte –begrijpelijk– geen goede aanduiding.

Goed: herdenken. We hoorden van de 95 stellingen die Luther met veel vertoon aansloeg aan de deur van de slotkapel in Wittenberg (of, waarschijnlijker: liet ophangen door de pedel van de universiteit om een academische discussie uit te lokken). We hoorden van het hemelse moment toen de reformator ontdekte dat ”gerechtigheid” geen eis is maar een geschenk. We hoorden van aflaten en Tetzel, van Rijksdag en banbul, van Wartburg en Coburg. We zongen ferm, staande, over ”Een vaste burcht” en het Woord dat eeuwig standhoudt. Zelfs repten we luidkeels –zonder enige huiver?– over het delven van het graf van vrouw en kinderen.

Heldhaftige taal, eenmaal per jaar. Voor één keer zijn we meer luthers dan calvinistisch. Want herdenken is makkelijker als je dat kunt doen aan de hand van markante momenten, spectaculaire geschiedenissen, iconische verhalen, gespierde taal. Luther is dan de man bij uitstek, met zijn markante kop, heldhaftige daden en pathetische taal.

Nee, dan Calvijn. Heel wat minder bruikbaar voor onze herdenkingen. Wat moet je nou over deze saaie humanist vertellen op hervormingsavond? Dat hij in 1535 in Bazel aan zijn ”Institutie” zit te schrijven? Hoe hij een jaar later in Genève een hervormingsprogramma voor de stadsraad opstelt met voorstellen over de viering van het avondmaal, het zingen, het onderwijs van de jeugd, het huwelijk? Dat hij even later in Straatsburg een liedboek samenstelt zodat de Franse vluchtelingengemeente daar in de eigen taal kan zingen?

Weinig iconisch en dramatisch. Toch? Totdat je gaat lezen in die ”Institutie”: de vonken vliegen in het rond als Calvijn schrijft over wat de paus de gemeente afpakte toen hij haar de frequente viering van het avondmaal ontstal. Totdat je die voorstellen voor de stadsraad gaat bestuderen en bedenkt hoe revolutionair het is dat Calvijn de gewone man wekelijks aan de avondmaalstafel wil hebben en de gemeente het lied in de volkstaal op de lippen wil leggen.

Déze kant van de kerkhervorming, de stille revolutie, de reformatie van de liturgie, was misschien wel de échte hervorming. Misschien daar volgend jaar eens wat meer aandacht aan geven?