Column: De les van het krijtje

Als de docent het krijtje had laten vallen, was er niets aan de hand geweest. Maar nu hij het niet deed, leek er een probleem te zijn. beeld iStock

Over de onvergetelijke leraren van mijn middelbare school, de Guido de Brès in Rotterdam, zou ik nog veel columns kunnen schrijven. Een van hen, Cees Verheij, bracht ons ooit het hoofd op hol met een krijtje. Dat ging zo. Hij stond voor in de klas met een krijtje in de hand. Hij vroeg ons: „Hoe kan ik nu zeker weten dat het krijtje valt?” „Nou”, zeiden wij, „laat het maar vallen!” Maar dat weigerde hij. Hij wilde dat wij hem een sluitend bewijs leverden dat het krijtje zou vallen, terwijl het nog in zijn hand lag.

De slimmeriken begonnen natuurlijk iets te zeggen over de wet van de zwaartekracht, maar het maakte geen indruk op hem. Het gaf hem geen zekerheid dat het krijtje zou vallen. Zo jonaste hij ons nog een tijdje door, de hele tijd met een verstrooide glimlach op zijn gezicht en het krijtje in zijn hand.

Wat wilde Verheij ons duidelijk maken met zijn krijtje? Het lijkt op het eerste gezicht een onnozel verhaal. Als hij het krijtje had laten vallen, was er niets aan de hand geweest. Maar nu hij het niet deed, leek er een probleem te zijn. Als we dingen die vanzelfsprekend zijn wetenschappelijk gaan ontleden, is opeens de vanzelfsprekendheid weg. Immers, pas als het krijtje valt, weet je het echt zeker. Wie zich mee laat nemen in de vragen van Verheij, wordt als vanzelf een soort natuurwetenschapper die een experiment uitvoert. Maar wie van ons is dat in het dagelijks leven?

Het krijtje van Verheij leert ons dat wetenschap weliswaar heel succesvol kan zijn, maar ons niet helpt om het leven te begrijpen. Met kritiek op wetenschappelijke pretenties zijn wij vertrouwd. Maar het krijtje van Verheij maakt een veel subtieler punt en is –vind ik– veel belangrijker dan alle goedbedoelde waarschuwingen tegen wetenschappelijke overmoed. Het krijtje gaat over onszelf, over onze ingebakken neiging om te pas en te onpas te vragen naar zekerheid. We zijn ermee vertrouwd dat krijtjes naar beneden vallen, maar zodra we dat gaan onderzoeken, raken we in de problemen.

Het goede antwoord op de vraag van Verheij was geweest om hem recht in zijn gezicht uit te lachen –daar had hij wel tegen gekund– en over te gaan tot de orde van de dag. Ik herinner me nog hoe wij bijna kwaad werden: laat dat krijtje toch gewoon vallen! Die kwaadheid laat iets zien wat vaker voorkomt. Wie wetenschappelijke vragen gaat stellen, kan moeilijk meer loslaten. Het zijn vragen die blijven knagen, juist in situaties waarin ze niet verder helpen.

Voor u afhaakt, zal ik u helpen met een paar voorbeelden. In mijn studententijd leerde ik een van mijn vrienden voor het leven kennen. Aan het eind van een lange fietstocht vierden wij de broederband. Een beetje bezorgd maakte ik onze levenslange vriendschap tot onderwerp van gesprek. Daar konden we vanaf nu toch wel zeker van zijn? Mijn vriend –wat minder exact aangelegd dan ik– wees deze vraag resoluut van de hand. Als we onze vriendschap zouden proberen zeker te stellen op die manier, zou die meteen weg zijn. Alleen kwetsbare vriendschap is echte vriendschap.

Van vriendschap is de stap naar geloof en kerk niet ver. Ook daar hebben we lief en worden we geliefd. Kunnen we dat ook zeker weten? Geloofszekerheid is een groot goed. Maar juist hier ligt een terrein waarin we in onze bevindelijke traditie een explosief mengelmoes van ratio en gevoel zijn gaan koesteren. Wij praten over het geloof alsof we ons in een laboratorium bevinden. We kijken mee hoe we zelf worden ontleed. Onze staat voor God moet immers duidelijk zijn. Maar het leven is geen laboratorium, en het geloofsleven al helemaal niet. Dat is de les van het krijtje.

Maak ik te grote sprongen? Nee, de moderne natuurwetenschap heeft ons niet alleen ongekende welvaart opgeleverd, maar ook een denkkader dat tussen onze oren is gaan zitten. Denken vanuit het platte vlak brengt ons onnodig in verwarring. Soms zelfs in ademnood. Het maakt dat we gaan zoeken naar een zekerheid die we al lang hebben. Of hebben gekregen zonder dat we het wisten. In de slaap.

De auteur is hoogleraar toegepaste MR fysica aan de Universiteit van Amsterdam.