Column: Bidden en werken

De stewardess zegt rustig: „Nu is het tijd om te bidden.” beeld AFP, Adek Berry

Het vliegtuig van Sriwijaya Air rijdt rustig over de taxibaan. De stewardess geeft de veiligheidsinstructies. Stoelriemen vast. U mag ze weer losmaken als we weer geland zijn. Mondkapjes voor zuurstof komen automatisch naar beneden als de luchtdruk in de cabine wegvalt. Het zwemvest zit onder uw stoel en zo doet u het aan. Kijk goed waar de nooduitgangen zitten. Voor u de deur opendoet, controleer eerst of er brand is.

En dan zegt ze rustig: „Nu is het tijd om te bidden. Iedereen mag bidden volgens zijn of haar eigen religie.” Inderdaad, wel een goed moment om te bidden. Je voelt je een klein en kwetsbaar mensje in het grote luchtruim. Tijd om hulp van boven in te roepen. Als je niet weet wat te bidden: in het ”in-flight magazine” staan formuliergebeden afgedrukt. Voor moslims, christenen, rooms-katholieken, hindoes en boeddhisten. Agnosten en atheïsten komen er niet in voor. Die vliegen misschien niet met Indonesische vliegtuigen. Of ze worden niet geacht te kunnen bidden.

Voor een westerling is het een bevreemdende ervaring. Gezamenlijk bidden in een Boeing 737. Als je met een christelijke organisatie als de MAF vliegt, dan verwacht je dat er gebeden wordt, maar niet bij een grote commerciële vliegmaatschappij. In Indonesië is het echter de gewoonste zaak van de wereld. Een bijeenkomst bij een staatsuniversiteit in het overwegend christelijke Papua wordt geopend met gebed. Wie een ander geloof aanhangt, mag er zijn eigen draai aan geven, zo wordt expliciet vermeld. Evenals dat het volstrekt logisch is dat ik in Surabaya bij een seminar op de islamitische staatsuniversiteit Sunam Ampel in het Arabisch welkom geheten wordt en de bijeenkomst geopend met een Koranrecitatie. Zo werkt dat, ”inshallah”, in een land waar iedereen een van de officiële zes religies aanhangt. Ook een atheïst of agnost zal een keus moeten maken, neutraliteit is er niet bij.

In Nederland zijn geloof en maatschappelijk leven gescheiden. Is het niet officieel, dan wel in ons hoofd. Wel zijn er nog overblijfselen van de tijd dat religie een grotere plaats innam. Een promotiezitting op de Vrije Universiteit begint met votum en sluit af met de lofverheffing. Mooie rituelen.

Toch, hoewel in de vorm het ideaal van Abraham Kuyper nog aanwezig is –er is geen gebied waarvan Christus niet zegt: het is Mijn!– de praktijk laat een drastische verandering zien. De aanroeping van God in votum en lofverheffing voelen vreemd aan bij een publiek dat de inhoud ervan niet kan meemaken. De traditie gaat terug naar een tijd waarin geloof en het gewone leven een eenheid vormden. De huidige tijd is echter seculier, niet alleen in de zin dat minder mensen kerkelijk zijn, maar vooral in de betekenis dat geloof en leven gescheiden werelden zijn. Het seculiere is de norm in het dagelijks leven, het is overheersend geworden. Daarom voelt zelfs voor gelovigen het publieke aanroepen van God vreemd aan. Prima om dat in de kerk te doen, maar laten we het ”onder ons” houden – niet samen met ”ongelovigen”.

Deze vervreemding is een symptoom van een verandering die dieper en grondiger is. De leefwereld seculariseert en daarmee ook ons denken en ons gevoel. Abraham Kuyper had het ideaal dat eerder ook Luther al had: dat iedere soort werk in feite bidden zou zijn. De stratenmaker prijst God door een mooi patroon te leggen. De kassajuf door iedereen een vrolijke dag te bezorgen met een glimlach. De schoonmaker door de hoekjes en randjes extra goed schoon te maken, want God ziet het immers. In Europa neemt nu het religieuze een steeds kleinere plek in, ook bij gelovigen. Bidden en werken is langzamerhand vooral werken geworden. Alleen voor en na het eten bidden we. Maar niet meer tijdens of juist door ons werk. Het bovennatuurlijke is losgekoppeld van de natuur.

Andere delen van de wereld laten een andere werkelijkheid zien. Daar is geloof een onderdeel van het dagelijks leven. Daar kijkt niemand op van de oproep om samen te bidden voor een reguliere lijnvlucht.

De auteur is consultant bij Lentera Papua in Indonesië en universitair hoofddocent ondernemerschap en organisatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.