Column (Bart Jan Spruyt): Gietsel uit de hand van de Kunstenaar

Essays Spruyt
J.H. Gunning Wzn.; beeld RD

De christelijke pedagoog J. H. Gunning Wzn. begreep dat niet-christelijke pedagogen vaak juiste en terechte vragen stellen. En dat die van een eigen antwoord moeten worden voorzien.

In het onderwijs is er een groot gevaar dat ons bedreigt. Dat gevaar doet zich voor wanneer een docent alleen maar de antwoorden overdraagt die hij decennia geleden heeft gevonden op vragen die hij toen had. Andere, actuele vragen kunnen zich opdringen en om een antwoord smeken. Een beetje leraar blijft dus voortdurend lezen en studeren om zijn lessen fris en bij de tijd te houden. Niet alleen boeken en kranten zijn daarbij een belangrijke bron van informatie maar vooral ook de leerlingen zelf. Recent heb ik wat dit betreft een mooie ervaring opgedaan.

Op de Driestar geef ik onder meer een college over kindbeelden, en ik word dan volgens het rooster geacht het kindbeeld van Calvijn (1509-1564) en dat van Rousseau (1712-1778) met elkaar te vergelijken. Dat is op zich al spannend genoeg. Wat Calvijn naar voren brengt, lijkt aanvankelijk niet heel erg verrassend. Het gaat dan over schepping en zondeval, over de erfzonde, over de noodzaak van discipline en straf en het belang kinderen te winnen met geduld en liefde.

Het wordt pas interessant als we met elkaar gaan kijken naar de vraag waarop onze verwachting bij de opvoeding van kinderen gebaseerd mag zijn. Calvijn begint dan met de doop, op een manier die veel studenten verbaasd en getroffen dan wel geschokt doet opkijken. Want die dingen zegt de dominee nou nooit.

Goede natuur

Tja, en dan Rousseau. Die heeft er natuurlijk niet veel van begrepen. De zondeval bestaat voor hem in het ontstaan van samenlevingen, die met hun wetten en regels het van nature goede kind van zichzelf vervreemden. De opvoeding dient weer bij die goede natuur aan te sluiten, en ruimte te scheppen voor de ontplooiing van de bijzondere gaven en talenten van ieder uniek kind.

Hoofdschuddend plegen wij van deze inzichten kennis te nemen.

Recent meldde zich bij mij een student die zijn eindscriptie over Calvijn en Rousseau wilde schrijven. Cornelis Stam is zijn naam. Onthoud die naam. Afkomstig uit de cgk van Nieuwpoort, die al eerder pedagogisch begaafden als Maarten Burggraaf en Cees Verheij heeft voortgebracht.

De scriptie leek geen verassingen te gaan bieden, vreesde ik. Maar deze student las niet alleen grote delen van de ”Institutie” en de hele ”Émile”, maar ook de artikelen van de pedagoog J. H. Gunning Wzn. (1859-1951) die ik hem aanreikte terwijl ik ze zelf eigenlijk niet goed kende. Daarop las deze student alle verzamelde opstellen van Gunning en leverde een onverwacht interessante scriptie af. Ik leerde het volgende.

Gunning was afkomstig uit een oude Reveilfamilie (hij noemde zich een ”kleinzoon van het Reveil”) en de eerste docent pedagogiek aan een Nederlandse universiteit. Zijn familie was de afslag gevolgd die het Reveil had genomen naar de zogeheten ethisch-irenische richting, waarbij het ideaal centraal stond om een innig geloofsleven te combineren met openheid naar wetenschap, cultuur en politiek.

Gunnings studies maken duidelijk dat het interessant wordt wanneer we de theoloog Calvijn confronteren met de pedagoog Rousseau. Rousseau heeft kwesties aan de orde gesteld waarvan Calvijn (200 jaar eerder immers) nog geen weet had. En deze kwesties zijn relevant. De antwoorden die Rousseau zelf gaf, zijn misschien de onze niet. Maar vanuit ons christelijke perspectief moeten we die vragen wel van een eigen antwoord voorzien.

Het gaat er dus niet om of we Rousseaus opvattingen een plekje in een christelijke pedagogiek kunnen geven. Het gaat erom welke kwesties die hij aansneed, relevant zijn, waarom ze dat zijn en in welke vorm ze een plaats binnen een christelijke pedagogiek kunnen krijgen.

Zo heeft Rousseau heel goed naar kinderen gekeken. Hij vond dat ieder kind een uniek individu is en dat dit feit om een bijzondere benadering vraagt. Met Calvijn kun je dit feit negeren door simpelweg te stellen dat wat alle kinderen met elkaar delen groter en belangrijker is dan de dingen waarin ze met elkaar verschillen. Maar je kunt ook –met Gunning– op zoek gaan naar een christelijke visie op individualisme, zonder in de romantische gevoelens van Rousseau te vervallen.

De vrije ontplooiing betekende voor Rousseau de vorming tot het ”leven als mens”. Maar dit is voor hem alleen de mens zoals die zich uitsluitend tot zichzelf verhoudt – niet tot God, niet tot zijn naaste. Egoïsme, berekening en eigenliefde zijn dus geen ondeugden die door Rousseau worden bestreden. Gunning brengt daartegenin dat de vorming van de mens tot mens, hoe goed op zich ook, vanuit christelijk perspectief moet betekenen dat de zelfverrijking alleen op de weg van de zelfverloochening wordt bereikt. Dat vrijheid betekent: vrijheid van de zonde, en een leven in dienst van de gemeenschap.

Rechten van het kind

Rousseau, en Gunning is dat met hem eens, wilde geen intellectualisme, geen scholen waar leerlingen worden volgegoten met leerstof. Het gaat niet alleen om leren en luisteren, maar ook om ”arbeid”, om zelfwerkzaamheid en zelfregie. Karaktervorming, zo corrigeert Gunning, betekent een opvoeding tot onafhankelijkheid, waarmee we niet alleen tegen onze omgeving durven ingaan, maar vooral ook de strijd moeten aanbinden met onze eigen natuur.

Rousseau sprak van de rechten van het kind, Gunning doet het ook, maar bedoelde daarmee het recht van het kind op een sfeer en omgeving waarin het met liefde wordt omringd. Dat recht van het kind is te herleiden tot het gegeven dat God Zelf ons kinderen toevertrouwt. Hij is de Kunstenaar en Bouwmeester, uit Wiens hand wij, „huiverend van eerbied en gloeiend van liefde, het gietsel aannemen waarvan ons opgedragen is voorzichtig de huls te verwijderen opdat de kunstenaar zelf het beeld voleindige.”

Docenten zijn slechts medewerkers van de goddelijke Kunstenaar. En dat bepaalt zowel de mate van hun verantwoordelijkheid als de grenzen van hun macht.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam