Column: Asociaal, of uit één stuk

„Het is niet meer vreemd om de basiswaarden van onze Nederlandse samenleving publiekelijk te verbinden met de westers-christelijke traditie.” beeld iStock

Waarom zijn christenen toch zo moeilijk met hun ethische opvattingen? Na twintig jaar homohuwelijk kun je toch wel een keer gewend zijn aan het idee dat niet iedereen hetero is? En je zult maar homo zijn in die kringen. In misschien wel het minst slechte geval heb je je leven lang een innerlijke strijd te voeren. Je leven persoonlijk naar eigen plan inrichten en op jouw manier geluk zoeken, is er in elk geval niet bij. Een ander typisch verschijnsel is het bij elkaar zetten van de kinderen op reformatorische scholen. Is het niet kwalijk voor de kinderen, en asociaal voor de samenleving, om zo de leefwerelden gescheiden te houden? Zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan. En geef deze vragenstellers eens ongelijk – vanuit hun hedendaagse perspectief dan.

Overigens, het feit op zichzelf dat reformatorische christenen heldere normen en waarden aanhangen, is niet meer zo vreemd. Twintig jaar geleden was de tijdgeest er nog een van: ”laat ieder zijn eigen mening hebben, algemene normen en waarden hebben we niet nodig.” Dat is inmiddels behoorlijk bijgedraaid. Het is gemeengoed geworden om de basiswaarden van onze Nederlandse samenleving te verdedigen. Het is ook niet meer vreemd om die publiekelijk te verbinden met de westers-christelijke traditie, maar anderen zoeken meer verbinding met seculiere individualistische uitgangspunten.

Het idee van een civiele religie rond onze basiswaarden is voor velen zo gek nog niet, hoewel de inhoud van zulke waarden nog niet zo duidelijk is. Voor de een gaat het vooral om gelijke individuele vrijheid voor ieders eigen keuzes; voor de ander gaat het meer om tolerantie voor morele verschillen en om saamhorigheid in gemeenschappen. Postseculier nationalisme, zo typeert Ernst van den Hemel deze cultuur. Voor mij verklaart dit nationalisme de hernieuwde kritiek op de reformatorische visie op gender, seksualiteit en opvoeding.

Maar waarom zijn we als christenen dan toch zo moeilijk, om niet te zeggen asociaal? Let erop dat moderne religies steeds door mensen worden vormgegeven of gekozen. Zoiets verwacht men van ons dus ook. Waarom geven we onze godsdienst dan niet een wat meer sociaal gezicht?

Deze vraag moet grondig beantwoord worden. Niet alleen zodat we ons bewust zijn van deze verwachting, maar ook zodat de geïnteresseerde niet-christen er begrip voor zou kunnen opbrengen. In elk geval zodat we verantwoording geven en (met alle gebrek) Gods Naam heiligen.

Essentieel voor het antwoord is de éénheid van de christelijke levenshouding. Natuurlijk onderscheidt de christelijke ethiek zich in onze tijd niet allereerst door strenge seksuele opvattingen of door zondagsverboden. Het gaat om de levenshouding die anders is.

Als we aan de éne kant elkaar zouden stimuleren om (als levenshouding) vooral het beste uit jezelf te halen en je eigen verlangens te ontplooien, en tegelijk aan de ándere kant elkaar de Bijbelse grenzen aan seksualiteit zouden leren, dan zouden we van elkaar het onmogelijke vragen. Maar dat is nu juist niet de bedoeling!

De christelijke levenshouding kenmerkt zich bijvoorbeeld door het besef dat God altijd dichtbij is en rekenschap vraagt. Maar ook oneindig goed, zodat Hij het waard is dat ik alles wat ik nodig heb van Hem vraag, omdat Hij dat steeds en zomaar geeft, in vreugde en verdriet. Die levenshouding kenmerkt zich ook door het besef dat de zonde in ons een leven van voortdurende strijd nodig maakt, al is die strijd voor de een wel anders dan voor de ander. Dat leidt tot een levenshouding van afhankelijkheid van God en van toewijding aan Hem. Ik hoef mijn leven niet zelf te leiden, dat doet Hij voor mij. En juist omdat het hele leven door deze levenshouding gestempeld wordt, zijn de christelijke scholen nodig. Dit alles veronderstelt overigens Gods genadewerk.

Het gaat mij hierom: als wij reformatorische christenen niet laten zien dat de christelijke ethiek staat of valt met het geheel van onze levenshouding, dus met onze dagelijkse godsvreze, afhankelijkheid en dienstbaarheid, dan zijn we niet geloofwaardig. De komst van Gods Koninkrijk hangt niet van ons af, maar onze godsdienst- en onderwijsvrijheid zijn wel gegeven talenten om mee te woekeren.

De auteur is advocaat bij BVD advocaten.