Christen moet zich spiegelen aan ervaringen van vreemdeling

Residentiepauzediensten
„Tolerantie is een samenlevingsdeugd, die gevoed moet worden in kerken, op scholen en in de politieke arena.” Foto: vragenuur in de Tweede Kamer. beeld ANP, Koen van Weel

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze week was de beurt aan prof. dr. Roel Kuiper (CU).

Als in de Bijbel het woord ”vreemdeling” valt, dan moeten gelovige christenen de oren spitsen. Het gaat dan niet over anderen, maar over henzelf. Christenen zijn vreemdelingen op aarde. Hun definitieve woning is niet ”beneden” maar ”boven” (2 Kor. 5). Vreemdelingschap is een centraal motief in de apostolische brieven in het Nieuwe Testament.

Wanneer Petrus in zijn eerste brief zijn christelijke toehoorders aanspreekt als ”vreemdelingen en bijwoners” (1 Petrus 2:11) kiest hij voor woorden met diepe Bijbelse wortels. Hij wil dat christenen begrijpen dat hun vreemdelingschap niet los staat van de ervaringen van het slavenvolk Israël in Egypte. De uitdrukking ”vreemdeling en bijwoner” slaat daar rechtstreeks op terug. Zo was Israël in Egypte. Het werd er gekleineerd en misbruikt. Daarom bevat de bevrijdende wet van God, de wet van de Sinaï, een reeks bepalingen om de vreemdeling grond onder de voeten, een bestaan, een eigen recht toe te kennen. Het refrein was steeds: „Bedenk dat uzelf vreemdeling (of slaaf) bent geweest” (Deut. 10:19). Israël mocht nooit vergeten wat het betekent om als vreemdeling geknecht te worden. Jahweh is een God die de vreemdeling redt en hem een perspectief geeft. Tegen deze achtergrond wordt duidelijk waarom christenen pelgrims op aarde worden genoemd (Hebr. 11:13-16). Wij hoeven ons niet te hechten aan ons bestaan op aarde, want God heeft een ”vaderland” voor ons.

In de brief van Petrus komt die paradoxale spanning tussen het leven in het hier en nu en onze toekomst elders scherp tot uitdrukking. Zie de hele passage in 1 Petrus 2:9-16. Het volk van God heet ”koningen en priesters”, een ”heilige natie” en tegelijkertijd ”vreemdelingen en bijwoners”. Dat volk onderscheidt zich door het goede op aarde te doen en aardse machthebbers te eren. Elders heet het dat christenen burgers zijn, maar dan wel van een ander vaderland. Het is het én-én van het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk is er al en daarom is er in deze wereld de weg van een bevrijdende en reddende God, maar de volheid van dit alles is nog komend en een belofte voor de toekomst. Van beide werkelijkheden zijn christenen deel. Die paradox vormt het hart van het Bijbelse vreemdelingschap.

Liefdeloosheid

In onze wereld kan de ervaring van vreemdelingschap niemand ontgaan. Er zijn grote migratiestromen, miljoenen vluchtelingen zijn op drift, samenlevingen zijn een smeltkroes van culturen, vele nieuwkomers doen hun best om in een nieuw thuisland een bestaan op te bouwen. Dit brengt spanning en ongemak.

Er zijn landen die hun grenzen voor vluchtelingen sluiten en hun eigen cultuur willen beschermen tegen andere culturen. Er zijn problemen met integratie en er is onbegrip tussen mensen die elkaars taal niet spreken.

In een globaliserende wereld, waarin mensen meer dan ooit kennis nemen van wat er in de wereld omgaat, is de ervaring van vreemdelingschap geïntensiveerd. Juist dan is het goed te beseffen dat wijzelf ook altijd vreemdelingen op aarde zijn, zelfs al leven we misschien al ons leven lang in dezelfde plaats of in hetzelfde land. Het besef dat wij geen blijvende stad op aarde hebben, behoedt ons voor xenofobie (vreemdelingenangst). We zijn allemaal als pelgrims die op doorreis zijn.

Christenen moeten zich spiegelen aan de ervaringen van de vreemdeling. Daarbij hoort ook de ervaring van het niet welkom zijn, de onverdraagzaamheid jegens vreemdelingen, het misbruik dat gemaakt wordt van iemands zwakke positie, rechteloosheid.

Ook de politieke arena kent onverdraagzaamheid: het niet (kunnen) accepteren van de ander zoals deze is. Daarbij horen ook de uitingen van de ander, diens woorden en gedragingen. Natuurlijk keuren we het niet goed als mensen zich niet houden aan wat samen is afgesproken. Er zijn woorden en gedragingen die buiten de orde zijn. Een Kamervoorzitter kan een Kamerlid berispen of aangeven dat ”onparlementaire” taal niet is toegestaan. Maar intolerantie gaat dieper. Dan verdragen we een ander niet om wie hij of zij is. We verdragen het andere van de ander niet. Dat is een daad van liefdeloosheid. Tolerantie betekent: ruimte maken voor de ander, ook al zijn we het met de leefwijze, het gedrag of de opvattingen van hem of haar niet eens.

Haat, verdriet en wanorde

Nederlanders stellen er een eer in tolerant te heten. Nederland heeft in het verleden veel vreemdelingen en vluchtelingen opgevangen. Burgemeester Van der Laan was er trots op dat Amsterdam een stad is met 180 nationaliteiten. Hij liet zich aan het eind van zijn leven fotograferen met dit veelkleurige gezelschap, uit ieder land een. Dat zag er vrolijk uit.

Het andere van de ander kan een extra dimensie geven aan de omgang met elkaar, een bron van vernieuwing en verwondering zijn. Maar tegelijkertijd weten we dat het samenleven met zoveel verschil en diversiteit een opgave is. Het kan schuren en botsen, achterliggende denkpatronen en waarden kunnen tot onbegrip en irritatie leiden. Dan blijkt echte tolerantie een hele kunst. Soms is elkaar de ruimte geven het maximaal haalbare.

Het is geen wonder dat er aan die veelgeprezen Nederlandse tolerantie ook getwijfeld wordt. Mensen met een buitenlandse achternaam hebben het moeilijk bij sollicitaties. Er is uitsluiting en er is ook uitbuiting. Die vindt plaats in de schimmige wereld van de louche mensenhandel, maar ook in de behandeling van arbeidsmigranten die onder erbarmelijke omstandigheden leven en uitgebuit worden voor een laag loon.

In de politiek heeft de afkeer van het vreemde geleid tot debatten over bevolkingsgroepen die zich moeten aanpassen of zelfs moeten verdwijnen. Uitingen in de media of het parlement zijn soms ronduit grof of beledigend. De taal van de onverdraagzaamheid begint zich een steeds grotere plaats te verwerven in de politieke arena.

Onverdraagzaamheid is een gif dat het samenleven ondermijnt. Het kan van alle kanten komen, vanuit ieder hart dat deze onverdraagzaamheid toelaat, vanuit ieder besef van eigen superieure identiteit. Deze onverdraagzaamheid kan zich richten tegen Marokkanen, maar ook tegen Joden. Zij kan mannen en vrouwen uitsluiten, ouderen en jongeren benadelen, met als resultaat dat mensen zich onveilig, ongewenst of overbodig voelen. Dit gif voedt het wantrouwen, de achterdocht, de minachting. Vervolgens raken verbindingen verbroken, mijden mensen de omgang met elkaar en lukt het samenleven en samenwerken niet meer. Wie onverdraagzaamheid zaait, oogst haat, verdriet en wanorde.

Concordia

De filosofe Julia Kristeva, zelf een politiek vluchteling uit Oost-Europa, schreef het boek ”De vreemdeling in onszelf”. Zij stelt zich de vraag hoe het komt dat de integratie van ”vreemde aspecten” in de westerse (Europese) cultuur zo moeizaam gaat. In primitieve culturen was de vreemdeling altijd per definitie de ”vijand” (met Israël als uitzondering). Maar hoe is dat vandaag?

Volgens Kristeva staat het moderne individu de integratie van vreemdelingen in de weg. Zij bedoelt daarmee het individu dat waakt over zijn autonomie en eigenheid. Zelfgerichte autonomie kan niet goed omgaan met het andere van de ander. Dat andere, het vreemde, moet dan verdwijnen of zich geheel assimileren. Wie zo van de eigen autonomie uitgaat, kan niet omgaan met verschil en niet echt tolerant zijn. Hij vlucht liever in een of andere identiteitspolitiek.

Op sommige oude gemeentehuizen vindt men het woord concordia: eendracht. Tolerantie is een eerste stap op weg naar deze eendracht, zonder welke goed samenleven niet lukt. Tolerantie is een samenlevingsdeugd, die gevoed moet worden in kerken, op scholen en in de politieke arena, te beginnen bij het spreken van bestuurders en parlementariërs. Tegelijkertijd is het slechts een eerste stap en niet meer dan dat. Het gaat erom dat we er daadwerkelijk zijn voor elkaar, dat burgers zich inzetten voor het welzijn van alle anderen, dat vormen van maatschappelijke liefde tot bloei komen. Niet voor niets is solidariteit een maatschappelijke deugd. Maar dit alles wortelt in de liefde, en de liefde drijft het kwaad van de onverdraagzaamheid uit.

Voor christenen luistert dit alles bijzonder nauw, juist omdat zij in de Bijbel worden aangesproken als ”vreemdelingen en bijwoners”. Wat dat is en wat dit met zich meebrengt, mogen zij niet vergeten. Integendeel, het helpt hen om te beseffen dat God ons allen ziet en dat Hij elders een stad bereid heeft. Onze stad is niet op de aarde, maar in de hemel. De kerkvader Augustinus sprak over die beide steden, die twee werkelijkheden, en wist dit: werkelijk blijvend is de liefde, niet de amor sui, de liefde voor onszelf, maar de amor Dei, de liefde voor God, de Schepper van alle mensen. Dat is de liefde waar de vreemdeling op is aangewezen.

De auteur is voorzitter van de ChristenUnie-fractie in de Eerste Kamer.