Christen mag straatkrantverkoper niet zomaar voorbijlopen

Achtergrond
„Hoe komt het toch dat we zo gemakkelijk langs deze medemensen lopen?” Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Een straatkrantverkoper mag je niet zomaar voorbijlopen, vindt Ed van Hell. Christenen hebben de roeping om naar de naaste om te zien en daarin een voorbeeld te zijn.

Moeten we omzien naar andere, vreemde mensen? Wie de Bijbel kent, weet het antwoord. In het Israëlische vrijheidsjaar moest iedereen die geld aan een ander had geleend, deze schuld kwijtschelden. Dat was een Goddelijk bevel. De Heere gaf dit gebod „omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de Heere zal u overvloediglijk zegenen” (Deut. 15:4). Bedelarij was in strijd met de goddelijke wet. Als Jesaja 700 jaar voor Christus de schijnheiligheid bestraft, wijst hij op „hongerigen uw brood meedelen” en „de armen, verdrevenen in huis brengen.”

Sodom wordt als waarschuwend voorbeeld gebruikt door de profeet Ezechiël (Ezech. 16:49). Er worden concrete zaken genoemd, zoals hoogmoed en stille gerustheid, maar ook „zij sterkte de hand van de armen en nooddruftigen niet.” Sodom is strafbaar.

In de rubriek ”Goed bekeken” in deze krant (RD 17-12) schreef ds. W. Visscher enige tijd geleden over mensen uit Oost-Europa die bij de supermarkt straatkranten verkopen. Hij betoogt dat het onze christenplicht is om ieder mens te zien als naaste, als medemens en medeschepsel van God.

In aansluiting op zijn oproep wil ik de vraag stellen: hoe komt het toch dat we zo gemakkelijk langs deze medemensen (veelal afkomstig uit Oost-Europa) lopen? Hoe komt het dat er soms een gevoel van irritatie ontstaat? Zou het zijn omdat de tegenstelling wel erg groot en voelbaar is op dat moment? De volgepakte winkelwagen rijdt voorbij de man of vrouw die daar stilletjes staat te kijken met de straatkrant in de hand. In de winkel hebben we daar geen last van, omdat we druk bezig zijn met inkopen doen. Maar zodra we de supermarkt verlaten, worden we met de kille realiteit geconfronteerd: armoede en nood.

We worden geconfronteerd met kwetsbare mensen die om onze aandacht vragen. En terecht. Immers, het was de Heere Zelf die het opnam voor de kwetsbaren in de samenleving. Mensen met wie anderen geen bemoeienis mee wilden hebben, naar hen ging de Heere Jezus toe. Hij zond Zijn dienaren in de heggen en de steggen. Hij dacht aan hoeren en tollenaren.

Op het terrein van omgaan met de ander valt heel wat te verbeteren, ook onder ons. Op dat gebied zouden juist christenen het voorbeeld moeten geven in de samenleving. Echter, de praktijk is weerbarstig. Hoe moeten we omgaan met de man of vrouw die bij supermarkt staat? Enkele praktische tips:

Allereerst kunt u de ander met vriendelijkheid en bewogenheid tegemoet treden, door bijvoorbeeld te groeten of een praatje te maken, ook al spreekt de ander gebrekkig of geen Nederlands. Gewoon doen, dat is het beste devies. Tijdens de vakantie zijn veel mensen ook in staat om zich in het buitenland verstaanbaar te maken.

Volgend punt is mededeelzaamheid. Er is een gezegde dat luidt: delen maakt rijk. We mogen uitdelen en geven. U kunt de straatkrant kopen of een vrije gift geven. Een andere mogelijkheid is dat u aanbiedt om voor de ander iets te kopen in de supermarkt.

Vanuit mijn werk weet ik dat er mensen zijn die voor zichzelf een vaste regel hierin volgen, bijvoorbeeld door twee keer per week de straatkrantverkoper een vrije gift te geven. Dat roept de vraag op: Maar hoe zit het dan met de besteding van dat geld? Wordt daarvoor niet iets gekocht dat niet verantwoord is, zoals drank?

Het is onze eerste verantwoordelijkheid om goed te doen aan onze medemens. Het is niet onze verantwoordelijkheid wat een ander met het geld doet. Bedenk dat veel mensen in moeilijke omstandigheden leven en alles op alles moeten zetten om rond te komen. Dergelijke mensen staan in de regel niet voor hun plezier bij de supermarkt. De Bijbelse opdracht is: „Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen” (Gal. 6:10). Verschillende malen lezen we dat de Heere Jezus met innerlijke ontferming bewogen was. Vanuit die ontferming en bewogenheid dienen we onze medemens waar dat kan en mag te helpen, ongeacht de achtergrond van de ander. Doen we dat niet, dan zijn we strafbaar.

De auteur is directeur-bestuurder van Stichting Ontmoeting.