Christen heeft opdracht blijmoedig te geven

„Door te geven, deel je en wordt alles meer en beter.” beeld ANP, Roos Koole

Het grondbeginsel van de Bijbel is genade en geen ruilhandel, maar de liefde van de Heere Jezus vraagt wel om wederliefde. Wij mogen onze tienden geven voor Zijn Koninkrijk, benadrukt mr. C. M. (Cor) Verkade.

Het is een merkwaardige samenloop van omstandigheden dat de tijd waarin we het lijden van de Heere Jezus gedenken, valt binnen de tijd waarin Nederlanders hun belastingaangifte moeten doen. Juist ook in de Stille Week, de week waarin de Heere Jezus in Jeruzalem was om aan het kruis te sterven, wordt Hem ook gevraagd naar Zijn visie op belastingheffing. Hij geeft duidelijke antwoorden.

Omdat ze van Hem af wilden, stelden de Farizeeën Jezus in de Stille Week allerlei strikvragen. Eentje gaat over belastingheffing: „Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?” (Matth. 22:17 e.a.) Het was een slimme strikvraag want als Jezus ja zou zeggen, zou Hij suggereren dat Hij heulde met de bezettende macht. En als Hij nee zou zeggen, zou Hij suggereren dat Hij een oproerkraaier was en hadden ze weer een punt om Hem over te leveren aan de Romeinen.

Zoals bij alle strikvragen had Jezus een geniaal antwoord. Jezus vroeg hun een munt te laten zien waarmee de belasting aan de Romeinen betaald moest worden. Uit het feit dat ze zo’n munt konden laten zien, bleek dat zij die munten, met nota bene als randschrift de gedachte dat de keizer goddelijk was, in hun bezit hadden.

Jezus vroeg vervolgens te vertellen wiens beeltenis en wiens opschrift op de munt stond. Op het antwoord dat dat van de keizer was, zei Jezus: „Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is” (vers 21), waarop de Farizeeën afdropen.

Levensdoel

Het mooie van dit antwoord is dat de Heere Jezus niet alleen de fiscale vraag oplost, maar ook meteen wijst op het doel van het leven van de Farizeeën en van ons allemaal. Je moet iets geven aan degene/Degene wiens/Wiens beeld erop staat. Niet alleen op munten staat een beeld. Elk mens is geschapen naar of in Gods beeld. Daarom dient elk mens zijn leven aan de Heere God te geven, te wijden.

De apostel Paulus zegt het ontzettend mooi in Rom. 14:7-8: „Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven. Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.” Het gezang ”Neem mijn leven, laat het, Heer’, toegewijd zijn aan Uw eer” is een mooie toepassing van dit antwoord van de Heere Jezus.

Omdat Gods beeld op ons en onze kinderen staat, zijn wij en onze kinderen van Hem. Als er een kind geboren wordt, is een vaak gestelde vraag: „Op wie lijkt het?” Dan wordt gekeken of de baby in het gelaat overeenkomsten vertoont met de vader of de moeder. Maar veel mooier is dat de baby naar/in Gods beeld geschapen is en dus op Hem lijkt. Het is een belangrijke oproep van de Heere Jezus om zelf ook steeds weer in de spiegel te kijken en te zien dat we geschapen zijn naar/in Gods beeld en dat we daarom ons hele leven aan Hem dienen te wijden.

Zegen

Jezus’ oproep om aan de Heere God te geven wat Hem toekomt, heeft in de belastingaangifteperiode nog een heel praktische component. Gebruiken wij ons geld om een aangenaam leven te hebben of vinden wij dat ons geld aan ons is toevertrouwd om daarmee tot Gods eer te handelen?

De profeet Maleachi (3:8) roept het volk Israël (en ons) toe: „Zal een mens God beroven?” Vervolgens legt hij uit dat onze tienden de Heere God toekomen. Op het gevaar af dat hij een welvaartsevangelie lijkt te gaan prediken, legt Maleachi uit dat je God op dit punt zelfs op de proef mag stellen: geef je tienden en de Heere God zal de vensters van de hemel opendoen en zegen afgieten, zodat er onvoldoende schuren zullen zijn (3:10).

Natuurlijk dienen we met ons geld onze verantwoordelijkheid te nemen. Ook dat is tot Gods eer: „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods” (1 Kor. 10:31).

We zijn (financieel) verantwoordelijk voor elkaar, voor armenzorg en voor goede doelen. Daarmee wordt Gods eer vergroot. Maleachi geeft een goede norm: geef je tienden en stop met het beroven/bestelen van de Heere God. Op het onderhouden van Zijn geboden belooft God een groot loon (3:10).

Giften

De Belastingdienst vraagt jaarlijks hoeveel giften u in het afgelopen jaar gegeven heeft. De Bijbel roept ons op om dat in ootmoed („laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet”; Matth. 6:3) te doen en de Belastingdienst laat ons kijken of het de tienden waren of dat we die mooie Bijbelse norm niet halen, terwijl dat toch in ons vermogen lag.

Door te geven, deel je en wordt alles meer en beter. Van God belijden we dat Hij van het uitdelen niet armer en van het inhouden niet rijker wordt. We hebben de taak aan het beeld Gods zo veel mogelijk te beantwoorden. We hebben zegen te verwachten van uitdelen, maar armoede van inhouden. Aankomen met de stelling dat de overheid veel meer dan 10 procent vraagt, doet niet ter zake. De tienden in Israël waren bestemd voor de tempeldienst. Daarnaast waren er de heffingen van de overheid, en die waren in Jezus’ tijd ook erg fors.

Gaan trainen in vrijgevigheid is beter dan onder de financiële gevolgen van ons geloof proberen uit te komen. Geven, niet omdat het moet, maar omdat het kan. Het hoort op een goede manier te gebeuren. De Bijbel geeft ons ook instructies voor het geven: De Heere Jezus leert dat we heimelijk moeten geven. Paulus houdt ons voor dat we blijmoedig hebben te geven en niet „spaarzamelijk.” Want God heeft „een blijmoedigen gever” lief. (2 Kor. 9:6-7)

In de Stille Week gedenken we dat de Heere Jezus Zijn leven gaf opdat Hij Zijn volk zaligen zou. Het grondbeginsel van de Bijbel is genade en geen ruilhandel, maar het is goed om te beseffen dat liefde vraagt om wederliefde. Wij mogen onze tienden geven voor het Koninkrijk der hemelen. „Daar G’ U voor mij hebt in de dood gegeven, hoe zou ik naar mijn eigen wil nog leven? Zou ik aan U voor zulk een bitter lijden mijn hart niet wijden?”

De auteur is vastgoedbelegger.