Burgerschap: kans én opdracht voor refoschool

De wet vraagt van scholen „actief burgerschap en sociale integratie” van leerlingen te bevorderen. beeld iStock

Het gaat niet goed met burgerschapsonderwijs. Toch ligt daar een belangrijke taak voor scholen. Voor reformatorische scholen is dat een kans. Én een opdracht.

De wet vraagt van scholen „actief burgerschap en sociale integratie” van leerlingen te bevorderen. Die opdracht geldt sinds 2006 en betekent dat van scholen wordt verwacht dat ze de burgerschapscompetenties van leerlingen bevorderen. Het gaat dan om de kennis, houdingen en vaardigheden om met anderen te kunnen samenleven. In het ‘klein’ in relaties met anderen, en in het ‘groot’ in de maatschappij en de verbanden waarin mensen leven.

Het gaat bijvoorbeeld om kunnen omgaan met verschil en conflict, om maatschappelijk verantwoord handelen en om democratische houdingen en vaardigheden. Dat gaat niet vanzelf. Onze democratische rechtsstaat komt niet uit de lucht vallen, zo is de gedachte. Die vraagt steun van actieve, betrokken burgers. Democratie kun je leren.

De wettelijke opdracht betekent dát scholen aandacht moeten geven aan burgerschap. Hóe ze dat doen is vrij; inhoud, invulling en frequentie kan de school zelf bepalen. Geheel in lijn dus met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Dat is een goed uitgangspunt, zeker bij een waardengevoelig onderwerp als burgerschap, waar een terughoudende opstelling van de overheid geboden is.

Dat heeft echter niet geleid tot bloeiend burgerschapsonderwijs. De realisering van de wettelijke opdracht tot bevordering van burgerschap is vooralsnog niet gelukt, zo moeten we constateren. De minister is dan ook van plan die opdracht te verduidelijken en zal later dit jaar een wetsvoorstel naar de Kamer sturen.

Stagnatie

De meest actuele gegevens over de stand van het burgerschapsonderwijs dateren van 2016 en komen uit internationaal vergelijkend onderzoek (ICCS). In Nederland deden daaraan 2800 tweedeklassers mee op ruim honderd scholen voor voortgezet onderwijs. In vergelijking met landen die op Nederland lijken, hebben leerlingen in Nederland minder burgerschapscompetenties en geven scholen minder aandacht aan burgerschap.

Leerlingen hebben in meerderheid democratische opvattingen over burgerschap en vertrouwen in de instituties van de democratische rechtsstaat. Verschillen in opvattingen respecteren, vinden veel leerlingen belangrijk, net als het hebben van een eigen mening. Hoewel gelijke rechten voor mensen over het algemeen veel instemming krijgt, bestaat onder Nederlandse scholieren minder steun voor gelijke rechten voor etnische minderheden. Leerlingen hebben minder dan elders vertrouwen in de eigen vaardigheid om in de samenleving mee te doen.

In vergelijking met andere landen zijn de verschillen tussen groepen leerlingen, zoals tussen scholieren uit gezinnen met lager en scholieren uit gezinnen met hoger opgeleide ouders, groot. Ook de verschillen tussen scholen zijn groot, en de verschillen tussen leerlingen in vmbo en leerlingen in havo/vwo. Die verschillen zijn de afgelopen jaren bovendien toegenomen.

Scholen

Leerlingen vinden dat hun school weinig aandacht heeft voor burgerschap en dat het schoolklimaat daartoe minder uitnodigt. Leraren voelen zich op een aantal voor burgerschap belangrijke punten minder bekwaam dan collega’s in andere landen en maken weinig gebruik van verschillende leermiddelen en vormen van aanpak.

Ook de Onderwijsraad en onderwijsinspectie zijn kritisch. Zo constateert de laatste dat de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs beter moet: er is weinig samenhang, leerdoelen ontbreken en scholen hebben geen inzicht in de resultaten. Veel reden dus voor verbetering.

Kansen

Reformatorische scholen hebben daarvoor een goede uitgangspositie. Scholen met een sterke identiteit zijn overtuigd van het belang van waarden. Ze kunnen teruggrijpen op een traditie van vorming en zijn niet ‘bang’ voor het gesprek over waardengevoelige onderwerpen. En ze beschikken over de gereedschapskist die daarbij nodig is: een ‘taal’ om het gesprek over waarden te kunnen voeren, gevoeligheid voor daarmee verbonden dilemma’s, en docenten die gewend zijn over waarden te spreken. Ook gedeelde opvattingen helpen daarbij: ouders en leraren zijn het vaak eens over belangrijke uitgangspunten, en de school kan leerlingen een vertrouwde omgeving bieden.

Daarin komt ook een opdracht mee, juist voor scholen met een sterke identiteit. Een nadrukkelijk geprofileerde identiteit botst soms met meerderheidsopvattingen. Scholen met een sterke identiteit kunnen dan niet volstaan met een beroep op de vrijheid van onderwijs om de eigen identiteit ruimte te geven. Het is evenzeer van belang leerlingen actief te leren omgaan met waardendilemma’s.

Dat betreft niet alleen de ‘confrontatie’ van eigen opvattingen met die van anderen. Ook bevordering van respect en tolerantie zijn van belang, evenals het bieden van een veilige omgeving, met ruimte voor gesprek en verschil. Dat scholen eigen opvattingen over het ”goede leven” in hun onderwijs zichtbaar willen maken, maakt actieve invulling van respect voor mensen met andere ideeën over het goede leven niet minder van belang.

Vangrails

Om vreedzaam samenleven van mensen mogelijk te maken, zijn vangrails nodig. Dat zijn de grenzen die nodig zijn om ruimte te geven aan uiteenlopende (soms schurende of botsende) ideeën over het goede leven. Die vangrails bestaan uit algemene, breed gedeelde waarden waarop onze democratische samenleving is gebaseerd, die in de grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn vastgelegd. Het gaat om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid, autonomie en afwijzing van discriminatie. Dat leerlingen zich deze waarden eigen maken, is een van de centrale doelen van burgerschapsvorming.

Een actueel voorbeeld is het thema seksuele diversiteit. Bevordering van basiswaarden betekent dat een school zich niet beperkt tot overdracht van eigen opvattingen over seksualiteit, seksuele diversiteit en leefwijzen. Van scholen mag ook worden gevraagd leerlingen actief duidelijk te maken dat daarover verschillende opvattingen bestaan, dat daarvoor binnen vrije samenlevingen ruimte bestaat, en dat die ruimte een groot goed is. Aandacht voor eigen opvattingen zou, juist als opvattingen botsen, hand in hand moeten gaan met actieve bevordering van basiswaarden, zoals gelijkwaardigheid en non-discriminatie.

Dat gaat dus verder dan het bieden van een schoolklimaat dat voor alle leerlingen en leraren, ongeacht hun seksuele oriëntatie, veilig is. Het betreft evenzeer actieve bevordering van begrip en autonomie en het tegengaan van onverdraagzaamheid en discriminatie.

Basiswaarden

Onderwijsvrijheid betekent dat scholen de burgerschapsopdracht kunnen invullen op een manier die past bij de identiteit van de school. Er zijn verschillende opvattingen over het goede leven en daarmee over ”goed burgerschap”. Het past de overheid niet om één concept van burgerschap op te leggen. De democratische rechtsstaat is er om vrijheid en pluriformiteit mogelijk te maken. Dat brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee om de waarden te bevorderen die zo’n samenleving mogelijk maken, en de kennis, houdingen en vaardigheden die daarvoor nodig zijn.

Zeker scholen met een sterke identiteit, die actief gebruik maken van de ruimte die vrije samenlevingen aan minderheidsmoralen geeft, dragen verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het in stand houden daarvan. Juist van deze scholen mag gevraagd worden actief werk te maken van de bevordering van de essentiële waarden onder een vitale, vrije en open samenleving.

De auteur is als hoogleraar verbonden aan de Afdeling Onderwijswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Hij is tevens werkzaam bij de Inspectie van het Onderwijs. Dit artikel, geschreven op persoonlijke titel, is een verkorte weergave van zijn lezing op het VGS-congres ”Burgerschap: een nieuwe opdracht?” op 1 februari in Vianen.