Bijbelse beloften alleen vervuld in gelovige Jood en heiden

„Onder het Oude Verbond werd het heil in Christus voor de wereld gesymboliseerd door Gods handelen met Israël. In Christus is dat verbond vernieuwd tot een voor alle volken (inclusief het Joodse) voluit bereikbare werkelijkheid, en wel door de kracht van de Heilige Geest.” Foto: Jeruzalem. beeld iStock

De oudtestamentische beloften blijven ook nu gelden voor de Joden. Want ze zijn in Christus vervuld en bestemd voor alle volken en rassen. Ze zijn echter alleen effectief voor hen die in geloof tot Christus behoren.

Blijkens een interview met Jeroen Bol (RD 19-3) is deze op zoek naar een „gezonde visie” op Israël. We begrijpen zijn intentie en vallen hem bij als hij zegt dat de Joden niet een aparte, eigen heilsweg buiten Christus hebben en dat we niet Israël maar Jezus moeten verkondigen. De speciaal aan Joodse christenen gerichte Hebreeënbrief zegt namelijk nadrukkelijk: „Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs” (12:2).

In de visie van Bol moeten veel profetieën over Israël nog vervuld worden. Echter, naar ons inzicht zijn die profetische beloften in principe al vervuld in Christus, ten behoeve van een wereld en een mensheid zonder raciaal onderscheid, waarbij de volmaakte completering uitstaat tot de wederkomst (2 Korinthe 1:20).

Daarbij geldt dat Gods verbond met Israël, via Abraham en de beloften aan hem, alleen in Christus eeuwig en onvoorwaardelijk geldt voor alle volken en effectief is in ieder die in Hem gelooft. Daarom is het niet zo dat we moeten beseffen „dat we medeburgers en mede-erfgenamen van Israël zijn geworden.” Nee, wij (volgelingen van Jezus) zijn medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is (Efeze 2:19-20; 3:6).

Vervangingskarikatuur

Jeroen Bol wil het zogenaamde (naar zijn inzicht verhulde en kwalijke) vervangingsdenken overwinnen. Hij vult dat begrip zelf in. De christenen die hij van vervangingsdenken beticht, zouden menen dat de Kerk de plaats van Israël heeft ingenomen. Zij zouden ook denken dat er geen sprake is van continuïteit tussen het Oude en Nieuwe Testament, dat Israël vanwege straf van God voorgoed zou hebben afgedaan en dat Joden niet zalig kunnen worden.

Zulke suggesties scheppen echter een karikatuur. Wij geloven in ieder geval dat God in Zijn heilsbeloften geen mens laat vallen. Integendeel, Hij gaf Zijn Zoon om elk mens, dus Jood én heiden, te kunnen redden! En Gods beloften blijven gelden voor alle mensen, maar alleen in Christus. Bovendien kán de kerk Israël niet vervangen. De gemeente (het universele Lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd en het Hart is!) is een geestelijke entiteit, terwijl Israël een natuurlijk, etnisch volk is.

Overgang en continuïteit

Wat is door Jezus, de beloofde Messias, het essentiële verschil tussen het Oude en Nieuwe Verbond? Het schaduwbeeld gaat over naar de vervulling. Onder het Oude Verbond werd het heil in Christus voor de wereld gesymboliseerd door Gods handelen met Israël. In Christus is dat verbond vernieuwd (Hebreeën 8:6-7 en 13) tot een voor alle volken (inclusief het Joodse) voluit bereikbare werkelijkheid, en wel door de kracht van de Heilige Geest.

De continue factor is dat een waar geloof ook onder het Oude Verbond voorwaarde was om gered te worden. Daarmee hebben gelovigen binnen en buiten Israël zich altijd gericht op de Messias, voor én na Zijn komst. Jezus benadrukte dat een mens wedergeboren moest worden om het Koninkrijk Gods te kunnen zien en in te gaan (Johannes 3:3 en 5). Hij wees op de geestelijke wereld en de strijd in de hemelse gewesten, waarvoor elke volgeling (ongeacht etniciteit) van Jezus Christus de Heilige Geest nodig heeft.

De apostel Paulus roept zijn volksgenoten én de heidenen op om in Jezus te geloven en deel te krijgen aan de saprijke wortel. Samen vormen Joodse en niet-Joodse gelovigen nu de gemeente van Jezus Christus. Zo zal aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekendgemaakt worden (Efeze 3:10).

Joden en niet-Joden die Jezus niet als hun Verlosser willen aanvaarden, hebben geen deel aan die saprijke wortel (Romeinen 11:17-24. Voor de gelovigen is de natuurlijke geboorte niet meer van heilsbelang, maar de wedergeboorte door geloof in Jezus (onder meer Johannes 1:12; 3:3).

”Gods volk”

De essentie van ons bezwaar tegen de voorstelling van Bol is de suggestie dat Israël als volk blijvend een uitzonderlijke verbondsstatus heeft behouden. Ook het ongelovige Israël zou Gods volk zijn gebleven. Het kan „niet op één lijn worden gesteld met elk ander volk.”

Met de verwijzing naar de Hebreeënbrief impliceerden we echter al dat het ongelovige deel van Israël in dezelfde positie verkeert als de heidenen die Jezus niet hebben aangenomen en dus niet geënt is op de edele olijfboom.

We mogen van Bol de teksten en profetieën voor Israël toepassen op de gemeente, „als we er maar niet de conclusie aan verbinden dat ze voor Israël als volk niet meer van betekenis zijn.” Natuurlijk gelden de beloften van het hele Oude Testament ook voor de Joden, buiten en binnen Israël. Maar ze zijn in het nieuwe verbond in Jezus’ bloed alleen effectief voor hen die in Christus zijn. Dus niet voor het ongelovige deel van het etnische volk Israël of van enig ander volk. Maar wie uit het etnische volk Israël zich tot Christus bekeert, wordt, net als Paulus, lid van de gemeente van Jezus Christus.

Leer van Kinzer

De theologie van de door Bol aangeprezen Jood Mark Kinzer hebben we kritisch geanalyseerd. We menen dat zijn onderscheid tussen Joden en niet-Joden (”bilaterale ecclesiologie”) binnen de gemeente van Christus volstrekt strijdt met Gods Woord (Romeinen 2:11; 3:22; 10:12; Efeze 2:15b; Galaten 3:28).

Dat geldt ook Kinzers veronderstelling dat sommige Joden zonder Christus behouden kunnen worden (hij gebruikt de term ”unrecognized mediation”). Komt dat dan niet neer op de (naar eigen zeggen) juist ook door Bol verworpen tweewegenleer?

Voor een gezonde theologische visie op Israël gaan wij te rade bij Paulus. De apostel had hartzeer (Romeinen 9:2) omdat sommigen van zijn volksgenoten Jezus niet aanvaardden. Hij wist immers dat ze dan niet meer de vruchten zouden plukken van Gods beloften en dat ze zo buiten de gemeente (het nieuwtestamentische volk van God) zouden blijven, tenzij ze zich alsnog bekeerden.

De auteurs bestuderen verschillende opvattingen over Kerk en Israël en hebben daarover meermalen gepubliceerd.