Bij de gratie Gods hebben we een staat en een rechtsorde

Residentiepauzediensten
Het begrip ”bij de gratie Gods” drukt uit dat we staat en overheid, in de persoon van de koning, als gegeven kunnen beschouwen. En daarvoor mogen we dankbaar zijn. Foto: Het nieuwe kabinet-Rutte III op het bordes van Paleis Noordeinde, op 26 oktober 2017. beeld ANP, Bart Maat

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Op 15 januari sprak mr. J. P. H. Donner (CDA).

Toen zalfden Zadok de priester en Nathan de profeet Salomo tot koning... Deze tekst uit 1 Koningen 1:45-48 klinkt al meer dan duizend jaren bij kroningen in Engeland. Sinds drie eeuwen op de muziek van Händel. De tekst heeft dus al eeuwen politieke betekenis.

Het verhaal leent zich er ook voor. Adonia laat zich door de wereldse machten (de generaals, de priesters en de zonen van de koning) tot koning huldigen. Bathseba en Nathan snellen daarop naar David met de vraag: dat was toch niet de bedoeling? Waarop David Salomo eerst tot koning laat zalven en hem op zijn troon zet en dan God ervoor dankzegt dat deze hem een opvolger heeft gegeven.

Het is een prachtig verhaal over mensen die wikken, terwijl God zijn belofte realiseert. Dat het bij de kroning in Engeland klinkt, is omdat het sinds de middeleeuwen ook werd gelezen als grondslag voor het koningschap: koning bij goddelijk recht, bij de gratie Gods. Alleen, ieder las er weer wat anders in.

Sjibboleth

Ten tijde van David lagen het natuurlijke en bovennatuurlijke, realiteit en geloof nog als vanzelfsprekend in elkaar besloten. Ook voor de Grieken en Romeinen waren staat en godsdienst nauw met elkaar verweven. Het evangelie maakt echter een principieel onderscheid. „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld”, zegt Jezus. En: „Geef de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is.” Uit dat onderscheid is het begrip ”bij de gratie Gods” ontstaan. Eerst ging de kerk zelf het gebruiken. In 431, tijdens het concilie van Efeze, gaan bisschoppen het voor het eerst gebruiken om de autonomie van hun gezag tegenover de keizer te benadrukken. Ook de paus doet het na verloop van tijd.

Pas veel later gaan koningen het gebruiken, maar dan om de autonomie van hun gezag tegenover de kerk te benadrukken. De kerk is namelijk inmiddels de tekst uit 1 Koningen 1 zo gaan begrijpen, dat koningen hun macht ontvangen uit handen van de paus. Het waren immers de priester en de profeet die Salomo tot koning zalfden. Vorsten lazen daarentegen vooral dat dit in opdracht van David geschiedde.

”Bij de gratie Gods” is dus oorspronkelijk een sjibboleth, een wachtwoord, voor de scheiding van kerk en staat. Het is dan ook vreemd dat het nu een steen des aanstoots dreigt te worden omdat het in strijd zou zijn met de scheiding van kerk en staat. Overigens is dat niet minder vreemd dan dat protestanten het gebruikten om het idee van ”volkssoevereiniteit” af te wijzen. Want, als vrijwel de enigen ter wereld, hebben de protestanten hier met een beroep op de Bijbel hun koning afgezworen, omdat hij niet dienstbaar was aan het volk.

”Bij de gratie Gods” werd dus gebruikt als uiting van soevereine zelfgenoegzaamheid; alleen soevereine vorsten gebruikten het. In die zin is het gedateerd; de verhoudingen zijn inmiddels gewijzigd. Moeten we het dan niet schrappen? Als het niet meer functioneel is en niet wordt begrepen, leidt het tot ijdel gebruik van Gods naam. Dat bepleit ik niet, maar de geschiedenis laat wel zien hoe gevaarlijk het is de Bijbelse boodschap als politiek handboek te hanteren.

Bevoorrecht

Versta mij wel, we mogen, ja moeten, vanuit christelijke overtuiging aan de politiek deelnemen. Maar het gaat mis als we op gezag van de Bijbel de overheid gaan dicteren hoe het moet. „Dat heeft de staat tot hel gemaakt dat de mens het tot zijn hemel wilde maken.” De kerk heeft daar overigens geen alleenrecht op. Het dreigt net zo hard als met een beroep op de volkssoevereiniteit een groep mensen precies gaat vertellen wat het volk wil en hoe we er hier een paradijs van kunnen maken. En de kans op dat laatste is tegenwoordig groter dan de kans op het eerste; dat met een beroep op ”het volk wil het” vrede, vrijheid, geloof en recht in het gedrang komen.

Daarom kunnen we maar beter die oude tekst nog wat gebruiken; niet als uiting van zelfgenoegzaamheid, maar als vermaning en met besef van betrekkelijkheid en dankbaarheid. Zoals die Engelse bisschop die, bij het zien van een veroordeelde op weg naar de galg, verzuchtte: „But for the grace of God, there goes I” - zonder de genade, de gratie Gods zou ik daar gaan. Dankbaarheid, niet zelfgenoegzaamheid, lees ik ook liever in de aanhef van wetten en besluiten. Er staat niet: koning bij de gratie Gods, maar: „Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods, koning...” Het klinkt net iets anders.

En dankbaarheid past ons. Te weinig realiseren we ons hoe bevoorrecht we zijn dat wij hier de staat en de overheid als zo vanzelfsprekend kunnen beschouwen, dat we er alleen nog maar kritiek op hebben. Dat besef je pas als je landen ziet waar staat en overheid vrijwel verdwenen zijn: Syrië, Jemen, Sudan, Somalië, Congo. Pas dan begrijp je waarom Paulus aan de Romeinen schrijft dat de overheid een instelling van God is, de mens ten goede. Paulus zelf heeft aan den lijve ondervonden dat wat overheden doen niet per definitie goed is en de mens ten goede komt. Er zijn zelfs regimes geweest waar men misschien beter uit was zonder overheid dan met. Maar dat neemt niet weg dat samenleven in vrede, veiligheid en recht niet gaat zonder staat en overheid.

Onderlinge samenwerking

De vraag hoe de overheid is ontstaan en waarom we haar gehoorzamen, is van alle tijden. Duizenden jaren bood religie een verklaring. Maar toen dat in Europa tot godsdienstoorlogen leidde die minstens zo verwoestend waren als nu de oorlogen in het Midden-Oosten, ging men op zoek naar een antwoord zonder religie. Uitgangspunt daarbij was: het individu en het volk. En de inzet werd: individuele vrijheid en nationale soevereiniteit. En zo werd de overheid verklaard òf uit de behoefte aan veiligheid en bescherming, òf uit de volkswil òf uit een sociaal contract.

Die verklaringen hebben mede geleid tot de groei van democratie en een rechtsstaat waarin we, bij alle pluriformiteit en verscheidenheid, in vrede en recht vruchtbaar met elkaar kunnen samenleven en samenwerken. Maar let wel, het zijn verklaringen voor een realiteit die al sinds mensenheugenis bestaat. En men kan wel ”het volk” of ”het individu” opvoeren als beginpunt van de overheid, historisch is het meestal andersom gegaan: overheden die een volk schiepen door toeval, verovering of historische wisselwerking. En van individuen kan men immers pas spreken als er sprake is van een samenleving. De staat en de overheid zijn niet de uitkomst van een daad van schepping of bewuste keuze, maar van een geleidelijk proces dat berust op de realiteit van wederzijdse afhankelijkheid, en (als het goed is) van wederzijdse betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Op eigen kracht kunnen mensen maar bitter weinig; we zijn op elkaar en op onderlinge samenwerking aangewezen. Dat maakt ons afhankelijk van elkaar en die afhankelijkheid vergt ordening en regelmaat, anders geldt al snel het recht van de sterkste. Dat begint al op een druk kruispunt waar het stoplicht is uitgevallen; dan volgen we gehoorzaam de aanwijzingen op van wie kennelijk de leiding heeft of neemt.

Achter een sluier

Verklaringen over de herkomst van overheidsgezag hebben zeker nut. Maar zij leiden ook tot blikvernauwing. Want uiteindelijk gaat het daarin om de vraag: wie heeft het voor het zeggen? En niet om de vraag: hoe gaan we om met onze wederzijdse afhankelijkheid, betrokkenheid en verantwoordelijkheid? Wie in zijn denken van zelfstandige individuen uitgaat, heeft weinig oog voor de kwetsbaarheid, hulpbehoevendheid en wederzijdse afhankelijkheid van mensen. Wie denkt in termen van ”het volk” heeft weinig oog voor de toenemende grensoverschrijdende afhankelijkheid van mensen en samenlevingen, en die ziet niet dat het concept van ”volkssoevereiniteit’ in onze tijd leidt tot uitsluiting, willekeur en onzekerheid.

In het besef dat speculeren over de herkomst van overheidsgezag leidt tot blikvernauwing en uitsluiting, is het helemaal zo gek nog niet om het begrip ”bij de gratie Gods” te gebruiken, mits het maar niet gebruikt wordt als aanspraak. Het trekt de vraag naar de herkomst als het ware achter een sluier. Het drukt uit dat we staat en overheid, in de persoon van de koning, als gegeven kunnen beschouwen. En daarvoor mogen we dankbaar zijn. Bij de gratie Gods hebben we een staat, een regering en een rechtsorde. Dat is niet onze verdienste. Generaties voor ons hebben het mogelijk gemaakt. Aan ons is het om dat zo goed mogelijk - en waar mogelijk beter - door te geven aan generaties na ons. Dat gaat niet vanzelf. Het vergt voortdurende inzet, betrokkenheid en verantwoordelijkheid van ieder van ons om die onderlinge afhankelijkheid zo invulling te geven, dat, bij alle verscheidenheid, ieder tot recht kan komen en de bestemming van zijn leven waar kan maken. Dat is de implicatie van ”bij de gratie Gods”. En daarbij mogen we ons gesteund en gesterkt weten door de zekerheid dat God niet laat varen het werk dat Zijn hand aan ons begon.

De auteur is oud-vicepresident van de Raad van State.