Bid om geestelijke verdieping nu coronavirus het leven vertraagt

„Wie van de vroege morgen tot de late avond aan het infuus van de media ligt, raakt zomaar verward en paniekerig.” Foto: om het coronavirus in te dammen, sluiten Belgische grensgemeenten sluipwegen naar Nederland af met barricades. beeld ANP, Marcel van Hoorn

De coronacrisis zou door Gods genade kunnen functioneren als een genadige stoorzender van boven. Onze zekerheden blijken zomaar schijnzekerheden te zijn. Het is winst als deze pandemie ons geestelijk ”reset”, zodat wij de gezapigheid en ingezonkenheid voorbij raken, om met blijdschap de Heere te dienen.

Door het coronavirus verkeren we in een ongekende crisis. Deze heeft grote gevolgen, die we nog niet in volle omvang kunnen overzien. Er wordt zand in de snel wentelende raderen van de economie gestrooid. De gevolgen zijn desastreus. Een klein virus brengt een geglobaliseerde wereld in complete verwarring.

Op intermenselijk niveau zijn er ook ingrijpende gevolgen. We beleven een tijd van afstand in plaats van nabijheid. Dat is te begrijpen: we dienen allereerst te denken aan de kwetsbare ander, niet aan onszelf (Filippenzen 2:4).

Zou deze crisistijd naast verlies ook winst kunnen opleveren? In alle voorzichtigheid kom ik tot enkele overwegingen:

1. Allereerst ervaren we als samenleving en individu dat ons bestaan kwetsbaarder is dan ooit. De pandemie herinnert pijnlijk aan onze sterfelijkheid. In het algemeen laten grenservaringen ons beseffen hoe fragiel en kwetsbaar we zijn. De coronacrisis maakt dit besef opnieuw levend, al dan niet versterkt door de berichten via de sociale media. We worden met de neus op de feiten gedrukt: stof zijn wij en tot stof zullen we weerkeren (Genesis 3:19). In het licht van onze eindigheid kunnen we beter onderscheiden wat er écht toe doet en kunnen we niet om de vraag naar de zin van ons bestaan heen.

2. Eens te meer beseffen wij dat we in een gebroken werkelijkheid leven. „Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen... (Romeinen 8:20). Ontreddering en verbijstering zijn derhalve begrijpelijke menselijke emoties. Ook christenen herkennen dit en zuchten mee. In plaats van stevige taal en stoere analyse past ons allereerst een toon van verootmoediging. Die komt hierin uit dat we sympathiseren met hen die kwetsbaar en zwak zijn (Filippensen 2:4) en, in plaats van met de vinger naar anderen of God te wijzen, eerst naar onszelf wijzen. We zijn van God losgeraakt. Daarmee hebben we leed en oordeel over ons heen gehaald. De gebrokenheid van het leven is een pijnlijk gevolg van onze opstand tegen God. Het zicht op deze grondoorzaak houdt ons klein en doet ons temeer versteld staan van Gods verdraagzaamheid met Zijn schepping en ons mensen (Klaagliederen 3:22-23).

Maranatha

3. Het coronavirus is een kwaad. Het kwaad is uit den boze. Jezus noemt besmettelijke ziekten een teken der tijden. Al die dingen zijn echter nog maar een begin van de weeën (Mattheüs 24:9). Weeën zijn pijnlijk en heftig, maar ook nodig om iets goeds voort te brengen. Het coronavirus en andere vijanden doen verlangend uitzien naar de tijd dat zij geen bestaansrecht meer hebben. Immers, er is een toekomst, van Hogerhand voorzegd, waarin niemand zal zeggen: „Ik ben ziek.” In die toekomst delen allen die „vergeving van ongerechtigheid” ontvangen hebben (Jesaja 33:26). Deze crisis mag ons daarom aanmoedigen om waakzaam te zijn, hartstochtelijk uit te zien naar de volkomenheid van Zijn rijk en des te vuriger te bidden: „Uw Koninkrijk kome.” Maranatha!

4. Deze crisis zou door Gods genade kunnen functioneren als een genadige stoorzender van boven. Er gaat in het maatschappelijk en persoonlijk leven veel op de kop. Onze zekerheden blijken zomaar schijnzekerheden te zijn. Het is winst als deze pandemie ons geestelijk ”reset”, zodat wij de gezapigheid en ingezonkenheid voorbij raken, om met blijdschap de Heere te dienen.

Zou God ons ook dingen kunnen laten zien die wij in andere omstandigheden niet zouden opmerken?

Kompas van het Woord

5. Een christen hoeft niet in paniek te raken. Wie van de vroege morgen tot de late avond aan het infuus van de media ligt, raakt zomaar verward en paniekerig. Wie op het kompas van het Woord koerst, zegt het David na: „Mijn tijden zijn in Uw hand...” (Psalm 31:15). Het coronavirus waart rond in de tijd dat de protestantse traditie zich bezint op het lijden en sterven van Christus, Die als geen ander angsten en benauwdheid doorstond. De veertigdagentijd is vanouds een tijd van inkeer en bezinning. De crisis haalt op een bepaalde manier de jacht uit ons leven. Een zekere vertraging treedt op. Laten wij God bidden dat deze vertraging geestelijke verdieping oplevert, zodat het levende geloof geoefend en gestaald wordt en wij de verrassend actuele woorden van Thomas à Kempis nazeggen: „Op U dus, Heer mijn God, stel ik al mijn hoop en in U zoek ik mijn toevlucht; bij U breng ik al mijn noden en beproevingen, omdat ik van alles wat ik buiten U zie de krachteloosheid en onstandvastigheid ontwaar. Want een massa vrienden hebben baat mij niet, machtige helpers kunnen mij niet bijstaan, wijze raadslieden geen nuttig antwoord geven, boeken van geleerde schrijvers mij niet troosten, geen kostbaar bezit kan mij vrijmaken, geen afgesloten, liefelijk oord mij beveiligen, als Gijzelf mij niet bijstaat, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en behoedt” (Navolging, boek 3, hoofdstuk 59).

De auteur is predikant van de hersteld hervormde gemeente in Apeldoorn. Dit artikel is gebaseerd op zijn toespraak op 18 maart in de Victorkerk, tijdens een moment van bezinning vanwege de coronacrisis.