Betwist burgerschap

„Een christen heeft de plicht blijmoedig de weg van gehoorzaamheid aan Gods Woord te gaan, om te laten zien dat, waar Gods geboden gelden, het leven gelukkiger en de samenleving beter wordt.” beeld iStock

Scholen moeten meer werk maken van burgerschap. Die boodschap zendt minister Slob uit met zijn wetsvoorstel ”verduidelijking burgerschap in het funderend onderwijs”.

Al sinds 2006 worden scholen geacht aandacht te besteden aan burgerschapsonderwijs. Tot nu toe bepalen ze de invulling ervan zelf. Bij de nieuwe wet verandert dat. De scholen moeten dan niet alleen kennis van en begrip voor de basiswaarden van de democratie bijbrengen, maar ook zorgdragen voor een cultuur waarin volgens die waarden gehandeld wordt. Strak ingevuld dus.

De aandacht voor burgerschapsonderwijs heeft te maken met onze multiculturele samenleving. Om te kunnen samenleven, zijn afspraken nodig over wat normaal is. Volgens de Grondwet is de norm af te leiden van drie basiswaarden: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Velen denken dat deze basiswaarden niet gedeeld worden door de moslimgemeenschap. Daarom wordt er met argwaan naar deze medelanders gekeken. Vooral als het om gevoelige onderwerpen zoals seksuele diversiteit gaat.

Een nieuwsbericht over een schoolboek waarin afwijkende standpunten rond voornoemd onderwerp geleerd worden, staat dan ook meteen in de schijnwerpers van politiek en samenleving. Bijna automatisch klinkt vervolgens de vraag of er ook onder autochtone Nederlanders geen groepen zijn die net zo afwijken. Jawel, die zijn er: de refo’s. Dergelijke reflexen hebben geleid tot bovengenoemde wet, die bedoeld is om iedereen te laten buigen onder het gelijkheidsregime van de postmoderne samenleving.

Over die wet en de gevaren ervan zou veel te zeggen zijn, evenals over de betutteling door de overheid op dit terrein. Vandaag even niet. Het punt dat ik wil maken, is dat het reformatorisch onderwijs niet moet wachten op een wet alvorens werk te maken van burgerschapsonderwijs. Christelijk onderwijs is niet bedoeld om kinderen af te schermen van de samenleving, maar om hen te vormen tot volwassen burgers die, vanuit Bijbelse waarden, een bijdrage leveren aan die samenleving. Een positieve bijdrage, want Gods geboden zijn heilzaam voor iedereen. Ze bevorderen gerechtigheid en duurzaamheid en geven richting aan een zinvol leven.

Het staat in onze samenleving een mens vrij om al of niet in God te geloven. Een christen heeft dan ook niet het recht zijn mening op te leggen aan wie dan ook. Hij heeft wel de plicht zelf blijmoedig de weg van gehoorzaamheid aan Gods Woord te gaan. Om daarin te laten zien dat, waar Gods geboden gelden, het leven gelukkiger en de samenleving beter wordt. Omdat Gods geboden altijd het belang van de schepping en het behoud van het schepsel op het oog hebben. Dát kinderen voor te houden, is bij uitstek burgerschap. Natuurlijk doe je dat vanuit bepaalde vooronderstellingen. Daar ben je christelijk onderwijs voor. Gemakshalve wordt vaak vergeten dat elke groepering, van welke levensovertuiging ook, haar vooronderstellingen heeft. Daarom is een neutrale invulling van burgerschapsonderwijs een illusie.

Christelijke scholen moeten voorop lopen op het gebied van burgerschap. Niet als apart vak, maar als vormend element dat het geheel van het onderwijs doortrekt. Bij elk thema moet gevraagd worden: wat betekent dit voor de verhouding tot de Schepper, het schepsel, de schepping en jezelf? Worden onze leerlingen daarmee modelburgers? Nee. Maar ze leren wel medeburgers in hun waarde te laten en tegelijk uit te dragen wat de echte waarde van het leven is.