Bestaansrecht christelijke partij ligt in specifieke strijdpunten

100 jaar SGP
„In 1937 namen niet minder dan zes protestantse en twee rooms-katholieke partijen aan de verkiezingen deel.” Foto: Tweede Kamervergadering in 1937, in aanwezigheid van ds. G. H. Kersten (SGP). beeld Wiel van der Randen

De SGP bestaat deze maand honderd jaar. Christelijke partijen zijn in Nederland en daarbuiten een bekend verschijnsel. Maar de Angelsaksische wereld, waar het christendom vanouds een belangrijke plaats innam, kent geen confessionele partijen. Wat verklaart het bestaan of de afwezigheid van dergelijke partijen?

Dat Groot-Brittannië en de VS geen christelijke partijen kennen of gekend hebben, komt in hoge mate door het kiesstelsel. In een districtenstelsel is voor een partij van christelijke signatuur meestal geen ruimte.

Belangrijk is ook of er sprake was van schokeffecten waarbij de fundamenten van de politieke orde wankelden. De Franse Revolutie is daar een duidelijk voorbeeld van. Orthodoxe christenen in Nederland en daarbuiten waren daarover zeer verontrust. In de Angelsaksische wereld was dat schokeffect duidelijk minder. Daar vond de secularisatie van het publieke leven geleidelijker plaats.

De Tweede Wereldoorlog en de verschrikkingen van een totalitaire dictatuur veroorzaakten ook zo’n schokeffect. Dat bevorderde de opkomst van de christendemocratische partijen, vooral in Duitsland en Italië. De Angelsaksische wereld werd daardoor veel minder geraakt.

Uiteraard is ook het soort christendom hier van groot belang. Wat is de reikwijdte van de godsdienst? Welke consequenties heeft het geloof voor het politieke leven?

Vrijzinnigen hebben nooit wat gezien in een christelijke partij. Godsdienst was voor hen een privézaak. Dat de hervormde middenorthodoxie na 1945 grotendeels meeging met de Doorbraak, bedoeld om de verzuiling te doorbreken, terwijl de Gereformeerde Kerken die met kracht afwezen, was ook niet toevallig. Voor de toenmalige gereformeerden was de afstand tot de Nederlandse maatschappij duidelijk groter dan voor de middenorthodoxe hervormden. Er was meer verschil in opvattingen, ook inzake de politiek.

Specifieke punten

Een christelijke partij die haar achterban wil mobiliseren, moet in haar program een of meer specifieke punten hebben waarin zij duidelijk van andere partijen verschilt. Specifieke punten die haar achterban aanspreken. In de 19e eeuw was dat in Nederland de schoolstrijd. Daarin ging het aanvankelijk om het confessionele karakter van de openbare school en in een latere fase om de financiële gelijkberechtiging van de openbare en de christelijke school. De andere politieke stromingen (liberaal, conservatief of socialistisch) wilden daar niet in meegaan.

Natuurlijk gaat het in de politiek altijd om allerlei zaken tegelijk: politie en defensie, volksgezondheid en ouderenzorg, werkgelegenheid en begrotingsdiscipline, belastingdruk en verkeersveiligheid, huwelijk en gezin en nog een heleboel zaken meer.

Christelijke partijen zullen op een aantal punten ongeveer dezelfde standpunten hebben als andere partijen. Dat geeft mogelijkheden om samen te werken. Maar er moeten ook duidelijke verschilpunten zijn, wil een christelijke partij haar bestaansrecht kunnen bewijzen. Alleen dan kan zij bij de verkiezingen met succes een appel doen op kiezers met dezelfde geloofsovertuiging.

Dat die kiezers wellicht over een aantal politieke issues verschillend denken, hoeft geen groot probleem te zijn. Mits ze de specifieke standpunten van die partij maar het belangrijkste vinden. Is dat niet (meer) het geval of zijn er nauwelijks meer specifieke strijdpunten die voortvloeien uit de religieuze identiteit, dan wordt het moeilijker.

Het kan zijn dat zo’n christelijke partij aantrekkelijk blijft voor de kiezers omdat zij een machtsfactor van betekenis is. De Duitse CDU is daar een voorbeeld van. Het CDA was dat ten tijde van Lubbers ook. Dat zo’n partij altijd nog de ”c” in haar naam heeft, is voor de meesten van haar kiezers geen reden om erop te stemmen, maar ook geen reden om er niet op te stemmen.

Naarmate de ”c” in de partijnaam zijn betekenis verliest, zal het ook minder relevant zijn of de mensen die de partij in de politieke arena vertegenwoordigen zelf een duidelijke relatie hebben met kerk en godsdienst. Om de koers van de partij te onderschrijven en die uit te dragen, is dat eigenlijk niet meer nodig.

Deconfessionalisering

De christendemocratische partijen in Europa lieten na de Tweede Wereldoorlog een voortgaand proces van deconfessionalisering zien. Aanvankelijk had de christelijke identiteit nog wel degelijk inhoud. Zeker bij de protestantse ARP en CHU. Daarentegen kozen de Franse christendemocraten in 1944 bewust voor een algemene partijnaam: Mouvement Républicain Populaire (Republikeinse Volksbeweging). Die partij stond ook open voor niet-christenen.

Nu konden bij de KVP ook niet-rooms-katholieken lid worden, maar de uitgesproken rooms-katholieke sfeer vormde daarvoor in de praktijk een duidelijke barrière. Toch was het vanuit de rooms-katholieke gedachtewereld altijd gemakkelijker om een brug te slaan naar niet-christenen dan vanuit de meer antithetische gereformeerde traditie.

Bij de vorming van het CDA kwam dat verschil eveneens openbaar. Vanuit de ARP beklemtoonde men de betekenis van de christelijke grondslag voor de nieuwe partij en stelde men dat alleen belijdende christenen die nieuwe partij konden vertegenwoordigen. Bij de KVP tilde men daar niet zo zwaar aan.

Inmiddels zijn de christendemocratische partijen in Frankrijk en Italië te gronde gegaan en elders zijn ze op hun retour. Dat laatste geldt zeker ook van het CDA. De Waalse christendemocraten hebben in 2002 de verwijzing naar het christendom in de naam van hun partij laten vallen. Voor de andere partijen geldt dat zo’n aanduiding naar alle waarschijnlijkheid niet meer in de partijnaam zou worden opgenomen, als ze nu nog opgericht moesten worden.

ChristenUnie en SGP

Kenmerkend voor de Nederlandse situatie was altijd het bestaan van meerdere christelijke partijen naast elkaar. In 1937 namen niet minder dan zes protestantse en twee rooms-katholieke partijen aan de verkiezingen deel.

Inmiddels hebben we te maken met CDA, ChristenUnie en SGP. De ChristenUnie kon tot stand komen toen het GPV niet meer hechtte aan haar exclusief vrijgemaakte grondslag. Inmiddels staat de partij ook open voor rooms-katholieken. Daar is aanzienlijk minder over gedebatteerd dan over de toelating van niet-vrijgemaakten tot het GPV. De ChristenUnie legt steeds meer de nadruk op sociale en ecologische thema’s. Die zijn zeker belangrijk, maar daar hoef je geen christelijke partij voor te hebben. Andere partijen zetten zich daar ook voor in.

Het grootste deel van de gemeenteraadsleden van de ChristenUnie vindt het niet meer belangrijk om in hun politieke optreden te benadrukken dat iedereen zich aan Gods Woord moet houden, zo bleek onlangs uit een enquête van het Reformatorisch Dagblad. Slechts een enkeling vindt het nog van (groot) belang om te spreken over Gods straf en Gods genade.

Bij de SGP zie je eveneens een lichte verschuiving in die richting. Kennelijk is ook daar sprake van principiële slijtage. Helaas wel. Het overgrote deel van de raadsleden vindt echter het getuigende element in de politiek van (groot) belang.

Al is het destijds door partijvoorzitter ds. H. G. Abma geïntroduceerde begrip theocratie om tactische redenen terzijde geschoven, de notie dat de overheid aan Gods wet gebonden is, is altijd nog het uitgangspunt van de partij. Zaken als zondagsrust, homohuwelijk en gezin, abortus en euthanasie zijn voor het politieke optreden van de SGP van wezenlijke betekenis.

Uiteraard is er in de politiek meer aan de orde, maar een christelijke partij ontleent haar bestaansrecht wel aan haar specifieke strijdpunten, waarin zij zich van anderen onderscheidt. Hopelijk blijft haar achterban die ook van wezenlijk belang vinden. Dat is geen vanzelfsprekendheid.