Begraven is een teken van hoop

beeld iStock

Toen ik vorige week mijn geboortedorp binnenreed, moest ik denken aan een uitspraak van een predikant tijdens een bevestigingsdienst vele jaren geleden: „Toen ik het dorp naderde, dacht ik in het paradijs terecht te komen”. Ik had dezelfde ervaring. De zon scheen vrolijk. Alles groeide en bloeide uitbundig en zelfs het schrijverke, het kleine kevertje dat over het water van de vijver bij het kerkhof schaatste, schreef, om met Guido Gezelle te spreken, „de heilige Name van God.” Thuiskomen!

De reden van mijn komst was minder paradijselijk: mijn laatste tante van vaderszijde werd begraven. Ze mocht een hoge leeftijd bereiken – ze heeft al rondgekropen voor de Eerste Wereldoorlog afgelopen was – maar ook aan haar leven kwam een einde. In de rouwdienst werd gewezen op de noodzaak om de Heere te kennen als ”mijn” Herder. Alleen als dat het geval mag zijn, ontbreekt je niets. Samen met de neven en nichten liepen we achter de baar naar het kerkhof, net buiten het dorp. Na afloop van de plechtigheid ging ik terug voor een wandeling langs bekende graven. Van mijn lieve ouders. Van ooms en tantes, vrienden en bekenden. Van de oma die ik nooit gekend heb - ze stierf in 1933 bij de geboorte van een kindje. Van de opa naar wie ik genoemd ben. Hij werd in 1889 geboren en werd 97 jaar. De vele zorgen zullen hem tot een sterke persoonlijkheid gemaakt hebben: Het overlijden van zijn vrouw. Het achterblijven met elf kinderen. Ooit las ik in zijn trouwboekje dat er toen al enkele gestorven waren. Twee wereldoorlogen, bittere armoede in de crisistijd…

Op de terugreis hoorde ik op de radio dat het ”weekend van de begraafplaats” begonnen was. In een vraaggesprek ging het over de keuze tussen begraven en cremeren. Het laatste komt inmiddels meer voor in Nederland dan het eerste. De geïnterviewde benoemde vooral de pluspunten van het begraven: op een kerkhof kun je nog eens terugkomen. Begraafplaatsen zijn immers plaatsen van rust en van schoonheid. Het gesprek bracht mij in verwarring. Het toonde dat de dood niet meer gezien wordt als de koning der verschrikking, het gevolg van de zonde, maar als behorende bij het leven. En dat je er goed aan doet om dat te accepteren en het pijnlijke ervan – het proces van degeneratie dat eraan vooraf gaat – zoveel mogelijk te verbloemen. In zo’n cultuur wordt zelfs een begraafplaats een toeristische trekpleister, een soort paradijsje, waar het goed toeven is. De enige reden om begraven te kiezen boven cremeren.

Een christen kijkt anders. Die kiest voor begraven, omdat het dode lichaam te ruste gelegd wordt tot de jongste dag. Dan zullen immers alle graven geopend worden. Begraven in plaats van cremeren is geen koud gebod, maar een teken van hoop. Hoop op de opstanding, in de navolging van Christus, om voor eeuwig met Hem verenigd te zijn. Levend vanuit die hoop, is het inderdaad goed toeven op een begraafplaats. Om te mijmeren over hen die ons voorgegaan zijn. Om het ”memento mori”, gedenk te sterven, te praktiseren. Om het verlangen aan te wakkeren naar het paradijs. Naar Hem, Die alle tranen van alle ogen zal afwissen. Zoals ik las op de steen van mijn naamgenootje en buurjongetje, die in 1963 stierf: „ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw goddelijk beeld.”

Reageren? welbeschouwd@refdag.nl