Beeld van God moet zelfbeeld bepalen

„Er is alle reden om positief over de schepping te spreken; ondanks wat mensen ervan terechtbrengen.” beeld iStock

De schepping heeft een imagoprobleem. Ze komt vooral als probleem in het nieuws; bijvoorbeeld in discussies rondom evolutie, gender en klimaat. Maar valt er ook iets positiefs over de schepping te zeggen? Welke betekenis heeft bijvoorbeeld de belijdenis dat God de mens naar Zijn beeld schept, voor het zelfbeeld van mensen?

De verbinding van het beeld van God met het zelfbeeld van mensen lijkt een kansloze missie. Weliswaar heeft God de mens naar Zijn beeld geschapen. De vraag is echter wat ervan is overgebleven. Na de zondeval is het beeld van God vernietigd; of het is zo beschadigd dat er slechts kleine vonkjes van het goede begin over zijn gebleven. Pas als de Heilige Geest zondaren vernieuwt, keert het beeld van God terug.

Daarmee heeft de schepping in orthodox-christelijke kring nog een imagoprobleem: behalve actuele discussies over schepping en evolutie, over gender en klimaat is er het probleem dat de goede schepping sinds Genesis 3 voorgoed verleden tijd is. Van het beeld van God zijn slechts scherven overgebleven.

Wie dit ernstig neemt, loopt grote kans op een negatief zelfbeeld: mensen hebben de ware kennis, gerechtigheid en heiligheid verloren. Hooguit is er nog iets zichtbaar in het feit dat mensen hun verstand kunnen gebruiken, creatief zijn en hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Maar dat verlost hen niet van hun onwaardigheid voor God. En onwaardig betekent al snel waardeloos.

Het probleem van het verloren beeld van God is dat het de mens op zichzelf terugwerpt. Mensen zonder God zijn eenzaam; ook als ze dat kunnen overschreeuwen. De vraag is echter of het wel Bijbels is om te spreken over het kwijtgeraakte beeld van God. Opvallend is in dit verband dat de mens na Genesis 3 nog altijd Gods beelddrager heet. Zo is het verboden om een mens te doden, omdat hij naar Gods beeld is geschapen (Genesis 9:6). In het Nieuwe Testament laat de apostel Jakobus zien dat het dwaas is om God te loven en tegelijk de mens, Zijn beelddrager, te vervloeken (Jakobus 3:9). Uit het feit dat de mens ook na de zondeval Gods beelddrager is, valt af te leiden dat de zonde het beeld van God niet kan vernietigen. De zonde maakt de mens wel onwaardig voor Hem, maar niet waardeloos. Ze blijven immers Gods schepselen.

Relatie

De vraag is dan op welke manier en in welke mate het beeld van God is overgebleven. Er is veel voor te zeggen om dat beeld op te vatten in termen van relaties. Volgens Genesis 1 schept God de mens naar Zijn beeld en gelijkenis. Hiermee is er een relatie gelegd tussen Hem en de mens: mensen bestaan in relatie tot God. Ze zijn geen God, maar wel Zijn beeld. Naast de relatie tot God is er de verbondenheid met de medemens: God schept de mens mannelijk en vrouwelijk. Ten slotte blijkt het relationele karakter uit het feit dat de mens geroepen is om de aarde te bebouwen en te bewaren.

Nu lijkt een relationele opvatting van het beeld van God ook problematisch. De zonde leidt immers tot verstoorde en zelfs tot verbroken relaties. De relatie met God bovenal; maar ook de relatie met man of vrouw, die met vrienden of een werkgever laten zien dat het beeld van God niet ongebroken door de zondeval is heen gekomen. Toch draagt de mens, zoals hierboven bleek, nog altijd Gods beeld. Al hebben mensen de relatie met God verbroken: van Hem uit is er nog altijd een verbinding. Ook zondige mensen zijn Zijn schepselen. Ondanks alle gebrokenheid staan ze in relatie tot Hem, tot hun medemens en tot de wereld waarin ze leven.

Verzoening

Dit biedt perspectief voor de vorming van een gezond zelfbeeld. Niet de prestaties van mensen zijn bepalend, evenmin hun wanprestaties, maar het feit dat ze het beeld van God dragen. Onwaardigheid door de zonde sluit blijkbaar niet uit dat mensen als schepsel van God waardevol zijn. Er is alle reden om positief over de schepping te spreken; ondanks wat mensen ervan terechtbrengen. Onwaardig is niet hetzelfde als waardeloos.

Intussen dringt zich wel de vraag op hoe het zit met zonde en verzoening. Weliswaar biedt het beeld Gods een onverwoestbare scheppingsmatige structuur, waardoor de mens met zijn Schepper is verbonden, maar de verstoorde en verbroken relaties vragen om verzoening; tussen mensen onderling, maar vooral tussen God en mens.

Wie op een Bijbelse manier nadenkt over het zelfbeeld van mensen, kan die verstoorde relatie niet buiten beschouwing laten. Anders dreigt een psychologisering van de Bijbelse boodschap: dat de mens een waardevol schepsel is, krijgt alle nadruk, terwijl diens onwaardigheid voor God onbesproken blijft. Dat mensen als schepsel van waarde zijn, is niet genoeg. Waardevolle schepselen moeten van hun onwaardigheid door de zonde worden verlost.

Perspectief

Ook op dit punt biedt de notie van het beeld van God perspectief. Wie hierover spreekt, kan niet buiten Christus om. Veelzeggend is in dit verband dat in het Nieuwe Testament vooral Christus het Beeld van God heet (Kolossensen 1:15). De Zoon is het volmaakte Beeld van Zijn Vader en staat in een ongebroken verhouding met Hem. Hij laat zien wie God is: vol van ontferming voor zondaren die de relatie met Hem hebben verbroken.

God weet raad met mensen die met Hem gebroken hebben. Hij houdt de draad niet alleen als Schepper vast, maar Hij legt ook een nieuwe relatie door de schuld te verzoenen. Vanuit Bijbels perspectief is er dus vooral reden om positief over de herschepping te spreken. Wie gelooft dat God de mens naar Zijn beeld schiep, wordt naar Christus, het Beeld van God, verwezen.

Volgens Augustinus is de mens naar God toe geschapen: mens in relatie. Op die belijdenis volgt een gebed: „Onrustig is ons hart in ons, totdat het rust vindt in U, o God!” Alleen wie Christus vindt, vindt ook zichzelf.

Een goed gesprek is heilzaam voor het zelfbeeld. Maar genade herstelt pas echt.