Bediening verzoening door voldoening is als kort geding

„De rechtvaardiging van de goddeloze is bij Paulus juridisch van aard.” Foto: standbeeld van Vrouwe Justitia in de buurt van de Nikolaikerk in het centrum van Frankfurt. beeld iStock

Verzoening door voldoening krijgt zijn beslag als gehoorde vrijspraak in het geding tussen God en onze ziel. Ze voltrekt zich onder de hoogspanning van de eeuwigheid. Ontzaglijke en ontzagwekkende realiteit.

Mijn zeer gewaardeerde collega ds. J. Belder schreef een voortreffelijk artikel over de verzoening door voldoening als een onopgeefbaar geloofsstuk (RD 11-9). Ik ben het zeer met hem eens, maar vraag me af wat hij bedoelt met zijn waarschuwing voor een te sterke juridisering in taal, termen en voorbeelden uit onze rechtspraktijk. De rechtvaardiging van de goddeloze is bij Paulus immers juridisch van aard. Al horend vernemen we veroordeling en vrijspraak door toepassing van de Heilige Geest in de bediening der verzoening als een ‘kort geding’ voor het aangezicht van God als rechter van hemel en aarde. Juist dit mag nooit vervangen worden door ethiek of moralisme.

2020-09-10-OPN1-Verzoening_door_voldoening-6-FC-V_webVerzoening door voldoening onopgeefbaar geloofsstuk

Het gaat in de prediking immers niet óver de bediening der verzoening, maar zij ís het, op straffe van geen prediking meer te zijn. En dit zal ze zijn als de genade van God uitgangspunt en middelpunt is. Dan wordt het geloofsleven niet teruggeworpen op zichzelf, als in de prediking de zondaar en Christus in één Geestesadem bij elkaar worden gebracht. En alleen dán worden de gevaren geweerd die in de praktijk van het kerkelijk leven zoveel kwaad hebben aangericht.

De werkelijkheid in de vorm van wat kerkelijkheid wordt immers vaak verhuld door een ‘dode’ prediking en een doods geestelijk leven, soms omrankt met een activistisch ingesteld gemeenteleven. En tegelijk onthullen zij allerlei doodsvormen in een vormelijk traditionalisme, dat niets meer heeft van en geeft om de traditie van het belijden van de Kerk der eeuwen. Ons hart mag wel bloeden bij zoveel hedendaags ‘bloedverlies’ ten aanzien van de bediening der verzoening. Want waar de rede toeslaat, slaat ons hart dicht en geeft het geen goede rede meer op (Psalm 45:2).

Hoogheilige ernst

De bediening der verzoening voltrekt zich op het scherp van de snede, want het Woord van God is een tweesnijdend scherp zwaard. Waar God gaat trekken met koorden van eeuwige liefde, daar kan niemand zich onttrekken zonder dat God zegt dat Zijn ziel in zo iemand geen welbehagen heeft. Want in de bediening der verzoening is de tegenwoordigheid van God onontwijkbaar (Psalm 139:7: „Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?”). Onontwijkbaar, ook waar we voortdurend en eeuwigdurend van Hem wijken. Hoogheilige ernst van het hoogheilig Evangelie! Woordelijk en zo wonderlijk legt God in de bediening van het Woord Zijn hand op ons. Die kennis is mij inderdaad „te wonderbaar; zij is hoog, ik kan er niet bij” (Psalm 139:6). In een handomdraai stelt Zijn hand ons in het licht van Zijn aangezicht, waar blinden ziende worden en zienden blind (Johannes 9:39). Het Woord van God is immers „levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten” (Hebreeën 4:12). Het trekt ons inderdaad door merg en been! Doden worden levend en ‘levenden’ worden gedood. En als de ultieme mogelijkheid zich voordoet dat het Woord ons geen nut doet, dan zit dit niet in het Woord, maar dan zit dat kennelijk in ons, omdat het „met het geloof niet gemengd” was (Johannes 12:13 en Hebreeën 4:2).

Twee wegen

We horen ons levend aan het Woord of we ergeren ons aan ditzelfde Woord dood (Handelingen 7:54)! Een en hetzelfde Woord is dan onder dezelfde prediking een reuk des levens ten leven of een reuk des doods ten dode (2 Korinthe 2:15v). Het zal gaan van leven tot leven en van kracht tot kracht tot in het eeuwig zalig leven, dan wel vanuit de dood tot de dood in de eeuwige dood. Te midden van dit krachtenveld slaat voortdurend de bliksem in van Gods genade, als lichtflits van de toekomst van de Zoon des mensen, afwisselend doortrild van de donder van de Sinaï of doorademd met het suizen van een zachte stilte. Als een geschieden tussen hemel en aarde voltrekt zich de bediening der verzoening vanuit de hemel óp de aarde als het meest geladen spanningsveld in het ‘kort geding’ tussen God en mens. Want de tijd is voorts kort. Er is haast bij. En dit „haast u om uws levenswil” (Genesis 19:17 en 22) horen we alleen maar in de stilte van het heiligdom van de dienst der verzoening. Waar onze ziel stil wordt tot God en de atmosfeer zwanger is van het „Heere Jezus, kom haastig!” (Openbaring 22:20).

Op geen enkele wijze is deze Evangeliebediening in overeenstemming te brengen met de rede. Zij gaat dwars daardoorheen en ver daarbovenuit. Daarom zal ze altijd op weerstand van het natuurlijke hart stuiten. En aldus wordt deze weerstand gemanifesteerd als opstand van de rede, die redelijkerwijze de dingen van het Koninkrijk van God nu eenmaal anders verstaat.

God spreekt en het is er en Hij gebiedt en het staat er! Zo staat het erbij en zo staat Hij erbij, en zo staat het erop en zo staan wij erop in en onder de bediening van de verzoening, waarbij we alleen maar kunnen opstaan of ondergaan. Onder de bediening van Wet en Evangelie zijn er slechts twee wegen, geen drie.

Toewijding of mijding

Ondertussen doen we allerlei pogingen om een derde weg te creëren. Men zou dit kunnen noemen: creatie en recreatie van beneden af. De Heere is God of wij pretenderen het te zijn. Dit laatste voltrekt zich zeer subtiel.

Gods verkiezende genade komt juist in en door de bediening der verzoening openbaar. En dit mag een openbaring op zich worden genoemd. De vrijmacht van God en de onmacht van de mens realiseren zich dan en daar in het antwoord van de mens op het Woord van God, waarbij en waarin de verantwoordelijkheid van de mens is gegeven, zowel positief als negatief, onder de bediening der verzoening die ons is gegeven. Daaromtrent zijn harde gegevens niet verkrijgbaar, maar wel hóórbaar in en onder de bediening van het Woord in het ‘kort geding’ tussen God en ons.

Want het geloof is als gave van God altijd uit het gehoor. Dit ”horen” brengt de menselijke verantwoordelijkheid in één Geestesadem met zich mee; daarin antwoordt de mens op het Woord van God. De rechte verantwoordelijkheid mag dan ook nergens anders gelegd worden dan in het ”over en weer” van Woord en antwoord. Nadrukkelijk moet dan worden gesteld dat de formulering en accentuering van de menselijke verantwoordelijkheid in enigerlei kwalificaties van de mens bezijden de waarheid en dus uit den boze is. De verantwoordelijkheid wordt onder de Woordbediening Woordelijk op de mens gelegd. Deze mens reageert op Gods bevrijding in toewijding of mijding. Soms wil hij het zwaard van de Geest pareren door de ‘vrome mens’ te eren.

Eén roeping

Het onderscheid tussen uitwendige en inwendige roeping mag de eenheid van de éne roeping nooit ontwrichten. De éne prediking gaat van deze onderscheiding niet uit, maar heeft deze blijkbaar, tastbaar en hoorbaar tot gevolg! Zodoende voltrekt de bediening der verzoening zich onder de hoogspanning van de eeuwigheid. Ontzaglijke en ontzagwekkende realiteit, te midden van en niettegenstaande onze kerkelijkheid, waarin het vonkt van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Verzoening door voldoening krijgt zijn beslag als gehoorde vrijspraak in het geding tussen God en onze ziel.

De auteur is hervormd emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland.