Bart Jan Spruyt: Wees nauwgezet bij uitgave oude schrijvers

Essays Spruyt
De boerderij van Wulfert Floor. beeld RD, Anton Dommerholt
2

Zijn de oude schrijvers in goede handen bij onze uitgevers? Meestal wel, maar er zijn ook kritische vragen te stellen. Wie lezen we eigenlijk als we een oude schrijver ter hand nemen?

Oude schrijvers worden soms slecht vertaald of slecht hertaald, soms gebeurt dat te haastig, soms worden passages weggelaten of juist toegevoegd. Maar erger is dat de argeloze lezer soms eigenlijk niet weet wie hij zit te lezen: de oude schrijver, de uitgever, of de vertaler? Hoe kon ds. Doornenbal bijvoorbeeld in 1947 weten dat er in 2004 een herdruk van Wulfert Floors ”Eenvoudige oefeningen” was verschenen?

Er zijn boeken van oude schrijvers waar helaas niet door te komen is. Denk aan een doorwrocht werk als ”Het zien op Jezus” van Isaäc Ambrosius. Dat is in de achttiende eeuw voor het eerst in het Nederlands vertaald, in de negentiende eeuw een beetje hertaald zonder dat naar het origineel is gekeken, en het resultaat (dat tot op de dag van vandaag verschijnt) is jammer genoeg onleesbaar.

Sommige oude schrijvers zijn in het verleden te haastig vertaald of hertaald. Een heruitgave kan dan niet en er moet dan een nieuwe vertaling of hertaling komen. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met het ”Kort Begrip van de Heidelbergse Catechismus” door Bernardus Smijtegelt.

Soms wil de bezorger van een uitgave graag dat een auteur precies zo denkt als hij, en deinst hij er niet voor terug veranderingen in de tekst aan te brengen. Lang geleden was ik, niet van weelde, als redacteur betrokken bij de uitgave van de geschriften van een vooraanstaand theoloog. Toen ik het origineel vergeleek met de aangeleverde tekst van de bezorger, zag ik dat ”uitverkorenen” steevast door ”gelovigen” was vervangen. Het komt op hetzelfde neer, zo zou je kunnen zeggen, maar de klankkleur van de tekst was er wel grondig door veranderd.

Wulfert Floor

Soms ook lees je een (oudere) theologische of kerkhistorische tekst en realiseer je je ineens dat wat je leest eigenlijk helemaal niet kan. Een voorbeeld daarvan is een recente uitgave van het boekje van ds. J. T. Doornenbal over Wulfert Floor. Het is een prachtig boekje, en ik wens het in veler handen. Ds. Doornenbal schreef zijn portret van Floor in een serie artikelen die in 1946-1947 in het Gereformeerd Weekblad verschenen. Deze artikelen zijn in 1988 voor het eerst gebundeld tot het boekje ”Leven en werk van Wulfert Floor”. De vijfde druk verscheen in 2018, en alhoewel ik de eerdere uitgaven al bezat, heb ik ook deze laatste druk gekocht, vanwege het nieuwe portret van Floor dat het omslag siert.

Maar wie in dit boekje het hoofdstuk over Floors ”prediking en geschriften” leest, stuit op iets raars. Doornenbal bespreekt de ”Eenvoudige oefeningen”. Je leest dat de eerste acht bundels tussen 1963 en 2004 zijn herdrukt. Hoe kan die opmerking staan in een tekst die in 1947 is afgerond? Over de bundel met 36 nagelaten oefeningen heet het eerst dat deze uitgave niet te verantwoorden was, maar later dat Floor deze oefeningen zelf heeft uitgezocht en van een voorwoord voorzien. Beide passages kunnen niet van dezelfde schrijver zijn. En weer iets verder in de tekst schrijft Doornenbal in 1947 dat een kleinzoon van Pieter Floor in 1982 bij een uitgever in Houten nog met onuitgegeven oefeningen is komen aanzetten, die daar naderhand ook zijn verschenen.

Grafsteen van Wulfert Floor op de begraafplaats van Driebergen. beeld RD, Anton Dommerholt

Onontwarbaar geheel

Wie deze vijfde druk met eerdere drukken vergelijkt, ziet dat de gesignaleerde passages in eerdere drukken duidelijk van de tekst van Doornenbal waren onderscheiden: de toevoegingen staan in een kleiner lettertype en de tekst springt in. De lezer kon daaruit opmaken dat zij door de uitgever waren toegevoegd. In de vijfde druk is dit nagelaten en zijn de door de uitgever toegevoegde passages een onontwarbaar geheel gaan vormen met de tekst van Doornenbal. En tussen al deze toevoegingen valt het op dat een spottende passage van ds. Doornenbal over het ”nieuwkerkelijk leven” op landgoed De Horst (domicilie van stichting Kerk en Wereld) is weggelaten.

Een tweede voorbeeld is het prachtige boek ”Naar Zijn beeld”, de biografie van Philip Henry, geschreven door zijn zoon Matthew Henry (1662-1714). Dit boek werd door Matthew Henry voor het laatst gecorrigeerd in 1712. Na vele minder accurate uitgaven van dit werk, verzorgde J. B. Williams in 1825 de definitieve uitgave aan de hand van een oorspronkelijk manuscript – een editie die door The Banner of Trust 1974 is heruitgegeven en die ook aan de Nederlandse vertaling (uit 2017) ten grondslag ligt. Williams heeft zijn uitgave ook uitbundig van voetnoten voorzien om passages in de tekst van Henry over zijn vader toe te lichten.

De Nederlandse vertaalster heeft niet alleen Matthew Henry in de tekst van Williams vertaald, maar ook diens noten, en heeft zelf ook nog noten aan haar Nederlandse tekst toegevoegd. Maar nergens wordt duidelijk wanneer we een noot van Henry lezen, wanneer een noot van Williams en wanneer een noot van de vertaalster.

Uiterste precisie

En dat nu is ergerlijk. Wie een tekst of vertaling uitgeeft, moet de ambitie hebben de definitieve uitgave te verzorgen, en dient zijn tekst of vertaling dus glashelder te presenteren – met, om zo te zeggen, voorbeeldige filologische nauwgezetheid.

Mijn voorbeelden zijn volstrekt willekeurig gekozen. Het eerste voorbeeld drong zich op omdat ik een meer dan gemiddelde belangstelling voor de inhoud van dit geschrift heb. Het tweede voorbeeld heeft de pech dat ik dit boek recent las, met de Engelse tekst van The Banner binnen handbereik. Mijn opmerkingen zijn niet vervelend bedoeld. Het is duidelijk dat reformatorische uitgevers de oude boeken van gereformeerde theologen niet alleen om commerciële redenen uitgeven, maar dat ook doen vanuit een innerlijke overtuiging over het belang van deze boeken. Juist daarom mag een uiterste precisie in de vertaling en presentatie van hun teksten worden verlangd.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam