Bart Jan Spruyt: We dreigen van deze crisis helemaal niets te leren

Essays Spruyt
beeld Getty Images/ iStockphoto

De coronacrisis kan net zoiets worden als de autoloze zondag, het rapport van de Club van Rome of 9/11: een rimpeling die we overmeesteren, tegen een hoge prijs, en zonder iets te leren.

Toen de storm van deze pandemie echt was opgestoken, en ik mij realiseerde dat ik vanwege een erfelijke ziekte tot de risicopatiënten behoorde, heb ik in mijn Bijbeltje een briefje gedaan met wat laatste dingen. Voor het geval dat. Enkele aanwijzingen, een conclusie, een psalmtekst, woorden van dank.

Ik las Luthers preek over de voorbereiding op het sterven, waarin hij schrijft dat we al in dit leven onze zonden en dood onder ogen hebben moeten zien, en dat we bij het naderen van de dood de blik vast op het leven en de genade in Christus moeten richten. En ik dacht aan zijn vertaling van de middeleeuwse antifoon die zegt dat wij midden in het leven door de dood omgeven zijn. Maar in Luthers theologie is dat uiteindelijk juist omgedraaid: midden in de dood zijn wij door het leven omgeven. Dat is, naar mijn beste weten, ook de boodschap van Pasen. Laten we hopen dat die boodschap bij ons mag blijven.

Toen volgden de weken waarin het virus dichtbij was en ver weg. Het kon al onder je eigen huid gekropen zijn, maar tegelijkertijd kende ik toen nog geen mensen die erdoor waren aangetast. Toch wist je dat een periode van lijden was aangebroken. Mensen zouden ziek gaan worden en sterven. Je mocht niet meer naar je moeder en schoonmoeder, en het is nu al weken geleden dat ik mijn lieve kleindochter Maria heb kunnen huggen.

Rommelen en herschikken

Sociale distantie is in bepaalde opzichten voor mij het ergste niet. Ik verveel me overal, behalve thuis. Maar lesgeven op afstand, zonder de mogelijkheid tot ontmoeting, gesprek en discussie, is niet meer dan een noodgreep, en laat je diep onvoldaan. Dan begraaf je je in de correctie van zo’n 150 essays en je volgt het nieuws, totdat de onverbiddelijkheid van ziekte en dood en het eindeloze gewauwel je murw dreigen te slaan.

Uit behoefte aan enige controle en orde, en aan enige ruimte in mijn hoofd, ben ik toen mijn boekenkasten wat gaan opruimen: een beetje rommelen, ruimen en herschikken. Bij mijn kast met geschiedenisboeken, die natuurlijk strikt chronologisch geordend staan, kwam ik uit bij de boeken over het fin de siècle. Daarna volgden zeven planken die een van mijn kinderen in gebruik heeft, en daarna de planken met boeken over de periode tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Ik rekende uit dat ik, als mijn zoon die zeven planken zou ontruimen, daar precies mijn boeken over de Eerste Wereldoorlog en Churchill kwijt kon en dat alles precies zou passen. Het bezorgde mij een kort gevoel van euforie.

Het nieuws bezorgde mij geen moment een gevoel dat daarbij in de buurt kwam, ook niet toen de curve leek af te buigen, de lockdownmaatregelen elders al iets werden versoepeld, en we met elkaar gingen speculeren over de periode na corona. Het duiden ging beginnen, en daarbij mochten geen grote woorden vallen.

Natuurlijk kunnen wij mensen grote woorden gebruiken die vooral een diepe innerlijke onzekerheid maskeren, of een ergerlijke behoefte om de profeet uit te hangen. Maar de angst daarvoor kan van de weeromstuit omslaan in nietszeggendheid, gehuld in het gewaad van de bescheidenheid. Iedere poging te begrijpen wat God in deze crisis te zeggen heeft, zou dan van systeemdwang of determinisme getuigen. Tweede oorzaken (ons eigen handelen) verdringen de eerste oorzaak (het handelen van God).

In de preken die Kohlbrugge in 1849 en 1859 tijdens cholera-epidemieën hield, sprak hij nog onomwonden uit dat Gods bezoekingen over de wereld gaan en dat die bij ons tot de verootmoediging moeten leiden die ons doet zeggen: „Wat onderscheidt mij? Ik heb het in de eerste plaats verdiend dat U al mijn verborgen zonden en gruwelen aan mij bezoekt.” Waarom spreken wij niet meer zo? Of gaan we gewoon ook alleen maar zeggen dat de les is dat er een einde moet komen aan de verkoop van vleermuizen op de markt van Wuhan?

Elders vielen wel degelijk grote woorden. Daar was het grote zwartepieten begonnen. Ik heb mij hogelijk verbaasd over vele mensen die precies wisten waar we deze crisis aan te wijten hebben en wat we straks allemaal moeten gaan doen. Zo kon iedereen zijn eigen agenda ontvouwen: milieuactivisten, socialisten, antiglobalisten en globalisten, nationalisten en eurofielen. Politici schetsen hun visioenen. Van alles moet er straks heel erg gaan veranderen.

Maar er zal waarschijnlijk niets veranderen. Verpleegsters, onderwijzers en leraren zullen straks echt niet ineens fatsoenlijk worden betaald. We willen vooral terug naar hoe het was, en alle onzekerheid en kwetsbaarheid weer zo snel mogelijk vergeten en repareren. De mens, schreef T. S. Eliot, verdraagt niet veel werkelijkheid.

Leprozenrateltje

Eén ding zal waarschijnlijk wel anders zijn. We zullen nog docieler worden. Gezonde oppositie tegen kabinet en deskundigen wordt met verontwaardiging afgewezen. En de greep van de overheid op het leven van samenleving en individuen zal nog steviger worden. Het excuus is dat we het eigentijdse leprozenrateltje in de vorm van een app moeten omarmen omdat het algemeen belang van gezondheid en economie toch belangrijker is dan zoiets vermeend privés als onze privacy. Maar privacy is een grondrecht, en dus ook een algemeen belang. De voornemens leiden onvermijdelijk, als we niet uitkijken, tot een app zonder rechtstatelijke waarborgen. Dan wordt het appje van Rutte net zoiets als het kwartje van Kok. Het zal nooit meer verdwijnen. En daarmee dient zich een nieuwe manier van besturen aan die precies in het verlengde ligt van een overheid die de vrijblijvendheid van het liberalisme en de dreiging van het populisme wil opvangen met steeds meer regels en bureaucratie.

De coronacrisis komt dan in het rijtje te staan van de autoloze zondag, de Club van Rome en 9/11. Rimpelingen die we hebben overmeesterd, tegen een hoge prijs, en zonder iets te hebben geleerd.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam