Bart Jan Spruyt: Lessen langs het voetbalveld

Essays Spruyt
beeld RD, Henk Visscher

Onze nationale identiteit wordt al lang niet meer door het christelijk geloof bepaald. In die leegte komt de overheid met meer en strengere regels. Wat is het alternatief?

Ook een voetbalwedstrijd kan de gedachtevorming op gang helpen. Een zomer of wat geleden stond ik op een vakantieadres langs de lijnen van een voetbalveld om nakomelingen aan te moedigen en toe te juichen. Aan alle voorwaarden was voldaan: het veld lag er bij als een biljartlaken, er waren scheids- en grensrechters, twee teams van twee keer elf man plus reserves, er was een goede leren bal en de spelers waren erop gekleed met de namen van hun helden op hun rug. Toch ging het mis.

Dat kwam niet omdat de scheids en de spelers de regels niet kenden, en zelfs niet door moedwil om bepaalde regels te schenden om maar te winnen. Het kwam door een gebrek aan techniek, door een tekort aan kwaliteit. Veel jongens konden er gewoon niet veel van, en bewogen zich nogal lomp en grof over het veld en maakten als gevolg daarvan onbedoelde overtredingen. Het resultaat: blessures en twee ambulances, nog voor de rust.

Toen ik dat stond te bekijken, moest ik denken (hoe onwaarschijnlijk dat misschien ook klinkt) aan een uitspraak van Groen van Prinsterer. In 1867 hield hij een toespraak op het Amsterdamse congres van de Evangelische Alliantie. Groen sprak over nationale identiteit en riep in herinnering dat die identiteit in Nederland eeuwenlang was bepaald door de kerk en het christelijk geloof. Daarvan was inmiddels afscheid genomen, en Groen vroeg zich hardop af wat zich zou gaan nestelen in het spirituele vacuüm dat daarmee was gecreëerd. Een van de belangrijkste kandidaten was het nationalisme. „Eenheid van territorium en eenheid van taal” zouden de voorwaarden voor „nationaal geluk” zijn. Groens reactie was nogal cynisch: hij wenste ze veel geluk, die „doctoren van de humanistische school”, maar hij was er bij voorbaat van overtuigd dat het spreken van dezelfde taal en het bewonen van hetzelfde huis niet genoeg was om „huiselijk geluk te garanderen.”

Groen was er met andere woorden van overtuigd dat een samenleving, zoals hij dat noemde, ”bases tutélaires” nodig had, een cultureel fundament van waarden en normen. Een land kan een goed georganiseerde democratische rechtsstaat zijn (een prachtig voetbalveld met scheids- en grensrechters), met goede spelregels, mensen kunnen dezelfde taal spreken en hetzelfde grondgebied bewonen, maar als de bewoners niet in staat zijn die spelregels op te volgen (als gevolg van een gebrek aan techniek), zullen zij, waarschijnlijk zelfs onbedoeld, overtredingen begaan en daarmee de nodige schade aanrichten.

Wie of wat zorgt voor die culturele basis onder een samenleving? In de traditie van Groen is die vraag niet moeilijk te beantwoorden. Het christelijk geloof natuurlijk, want dat had mensen respect voor het geweten bijgebracht, de bescherming van het individu tegen de macht van de staat, het recht van de bevolking op vrijheid van geloof, het belang van opvoeding en onderwijs om mensen de deugden bij te brengen die een democratie goed doet functioneren.

Die rol heeft de christelijke kerk grotendeels verloren. En de samenleving zit er ook niet meer op te wachten. De vrijblijvendheid van decennia van moreel en cultureel relativisme, met de populistische dreiging als gevolg, leidt in toenemende mate tot aangescherpte regelgeving van de overheid, met een grote nadruk op het ene, enige en grote gebod dat ons in Nederland als samenleving nog aan elkaar moet binden: gij zult niet discrimineren. Zoals Gerard Vroegindeweij recent in een aantal artikelen in deze krant heeft uitgelegd, komt de vrijheid van onderwijs daarmee steeds meer onder druk te staan. Alsof meer en scherpere spelregels tot een betere techniek van de spelers leiden.

Vanuit Groens perspectief wordt het paard hier achter de wagen gespannen. De remedie (de christelijke traditie) wordt immers buiten de orde verklaard door een links-liberale meerderheid in de politiek. Groen voorspelde dat het verraad aan de christelijke traditie en de keuze voor een bepaalde ideologie (zoals het nationalisme) om het gecreëerde vacüum te vullen, een scenario opriep dat of tot anarchie of tot despotisme zou leiden. Dat dat despotisme de vorm van toenemende overheidsbemoeienis en -dwang zou aannemen, had hij in dit verband niet voor ogen.

Wat hij, als gepromoveerd classicus, wel voor ogen had, was een remedie die hij bij Plato en andere Griekse filosofen had gevonden. Zij zagen dat democratie een gevaarlijke regeringsvorm was omdat die in de praktijk zo maar in anarchie of populisme kon ontaarden. Om dat te voorkomen stelden zij zich de vraag onder welke voorwaarden een democratie wél goed kan functioneren. En zij kwamen eigenlijk tot de conclusie dat het niet om de spelregels gaat maar om de techniek, om de kwaliteiten van de burgers.

Burgers moeten zich realiseren dat er een God is en dat er dus taboes zijn. Zij moeten de wet niet uit vrees voor straf of uit angst voor sociale controle houden maar vanuit innerlijk fatsoen. Ze moeten beseffen dat ze niet voor het hier en het nu leven, maar dat zij een schakel in een lange keten vormen en dat zij zich een traditie moeten eigen maken en die weer aan hun kinderen moeten doorgeven. Vrijheid is, dienen zij te weten, niet het recht om alles te kunnen zeggen en doen maar de ruimte om die dingen te doen die zij behoren te doen. Gelijkheid betekent niet de afschaffing van alle vormen van hiërarchie. En niet de brutale uitersten verdienen onze lof maar de voorzichtigheid en de gematigdheid.

Een beetje fatsoen, een beetje wellevendheid en echte tolerantie, daar zou al heel wat mee gewonnen zijn. Het zou geweldig zijn als liberalen zich zouden gaan realiseren dat hun visie ook een levensbeschouwing is en geen neutrale kijk op de dingen –dat álle onderwijs dus bijzonder is– en als zij echte tolerantie zouden kunnen opbrengen jegens mensen en groepen die in hun ogen achtergebleven en nog steeds niet zo verlicht zijn als zij. Dat zijn de kwaliteiten die blessures en ambulances voorkomen.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam