Bart Jan Spruyt: De spiegel van het Friese Reveil

Essays Spruyt
De kerk van Longerhouw in 1959. beeld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Een pelgrimage naar Friesland kan ons leren waar het christelijke leven ook nu nog op aankomt: op ernst, eenvoud, ascese. Vormen zonder dit fundament verkommeren en verdwijnen.

Aan het begin van het dorp staat een verkeersbord dat aangeeft dat de weg doodloopt. En dat klopt. Er is maar één straat, er staan wat huizen en boerderijen, een prachtig oud kerkje en een pastorie, en dan eindigt de weg op een erf. Bij het haventje zitten vier zeer autochtone mannen op leeftijd koffie te drinken, en ze nodigen me uit bij hen te komen zitten. Ze vertellen dat er 46 mensen in Longerhouw wonen. Maar het dorp heeft betere tijden gekend. Na de oorlog had het zelfs een schooltje. En dan de negentiende eeuw, toen ds. Felix hier stond, en het dorp een van de centra was van het Friese Reveil!

Ik geloof mijn oren bijna niet. Ik ben met vakantie in Friesland, om te fietsen en te wandelen, te zeilen en in een sloep wat te spelevaren, maar eigenlijk zijn al die activiteiten slechts een voorwendsel, door mijn allernaasten met een glimlach getolereerd, voor een pelgrimage. Ik ken Friesland niet goed, maar het mooie boek van Mart van Lieburg over Gerhard Fockens (”De hemelvorser”), de dissertatie van Jan Dirk Wassenaar over Noordmans in Friesland en het oudere boek van G. A. Wumkes over het Friese Reveil hebben me meer dan nieuwsgierig gemaakt. Ik bezoek Sneek en Heeg, en dorpjes als Eastereind en Skearnegoutum, Idsegahuizum en Piaam en Suameer. Als ik thuis ben en er weer over lees, wil ik het allemaal voor me zien.

En zo ben ik deze morgen in Longerhouw en Schettens, want daar is ds. Jan Wouter Felix (1824-1904) in 1848 zijn ambtelijke loopbaan begonnen. Hier, in dit isolement, te midden van modder- en vaarwegen en een bevolking van toen zo’n negentig zielen, vond hij zijn tweede academie: door het lezen en uitgeven van oude schrijvers en door contacten met diepvrome boeren als Jan Piers Eringa. Tegenover de vier mannen bij het haventje heb ik Felix’ naam niet eens durven noemen, want Friesland, zo heb ik gezien, is ook een provincie van ongekende geestelijke kaalslag, en zouden deze mannen na ruim anderhalve eeuw nog weten wie hij was? Maar nu ze zelf zijn naam noemen, kom ik voor de dag, en dan staan we op, halen de sleutel bij de koster en ze laten me alles zien: de kerk, de pastorie, en het paadje dat ds. Felix nam als hij naar de kerk liep.

In de consistorie hangt nog de draagbaar waarop overleden kinderen ten grave werden gedragen. Ernstige teksten aan de muur (geschreven door boer Broer Johannes van Abbema) roepen op om onze sterfelijkheid te bedenken: „De dood gaat niemand hier voorbij, ’t Is jong of oud, ook wie hij zij. Waak steeds en bid en wees bereid voor ’t naderen der eeuwigheid.” Bij een restauratie is een mozaïekvloer uit de middeleeuwen blootgelegd. Wie hier ronddwaalt, beseft weer eens: in de kerk is geen tijd.

Het fascinerende aan het negentiende-eeuwse Reveil is hoe christenen, mannen en vrouwen, patriciërs en boeren, leken en predikanten, als een Christoforus gezocht hebben naar wegen en manieren om het christelijk geloof de turbulente negentiende eeuw door te dragen. In de voorafgaande eeuwen was het christelijk geloof geprivilegieerd geweest. Nu moesten kerk en geloof hun weg vinden in een liberale, ‘neutrale’ samenleving, en moesten de christelijke vrienden op zoek naar vormen en gestalten waarin het geloof kon worden beleefd en overgedragen. Zo zijn christelijke partijen als de CHU, sociale verenigingen als Tot Heil des Volks, kerkelijke organisaties als de Confessionele Vereniging en een netwerk aan christelijke scholen ontstaan. Vormen waarmee wij nog altijd leven.

Maar al die vormen hadden een cultureel fundament, dat door niemand beter is getypeerd dan door de theoloog Oepke Noordmans (1871-1956). Die typering houdt ons een spiegel voor. Een refocultuurtje is gedoemd te vermolmen als de onderliggende deugden van een waar christelijk leven gaan ontbreken. Sterker nog: bepaalde vormen kunnen zelf dat fundament afbreken.

Huisgodsdienst

Noordmans kwam uit een Friese familie waarover de naglans van het Reveil nog uitgespreid lag – een puriteinse spiritualiteit „die nooit in de historie de huiselijke sfeer zozeer heeft verinnigd en geheiligd, het Woord Gods zo priesterlijk door de huisvader heeft laten bedienen, de Psalmen zo sacraal binnen de muren van iedere woning heeft doen klinken, en hun echo’s hebben doen vinden in de diepste schuilhoeken van het hart, als toen.”

Als Noordmans deze ”schoot der vroomheid” moest typeren, kwam hij uit bij drie begrippen: ernst, eenvoud en ascese, die primair in de ‘huiskerk’ werden ingeslepen. Ernst, vanwege het besef van onze directe verhouding tot God, die een vorm vindt in de huisgodsdienst van Bijbellezing, gebed en het zingen van de psalmen. De eenvoud is de schoonheid van het leven, waarvan de waarheid de ernst is. Het doet ons ons afkeren van al het pompeuze en frivole. Het doet ons bidden en werken, zonder enige plechtstatigheid of „pracht en roem van woorden.” Het is een levenskracht, die zich uit in concentratie en de aandacht voor het eeuwige leven, en het geeft een „monumentale stijl” aan het leven dat in „menig boerenhuis” beter wordt begrepen dan in de „drukke persoonlijkheidscultuur” van de zogenaamde ‘cultuurmens’.

In zijn eigen tijd zag Noordmans al dat dit leven teloorging, doordat het fundament van ernst, eenvoud en ascese verbrokkelde: de Bijbellezing, het gebed, het gezamenlijk zingen van de psalmen gingen meer en meer ontbreken, de kritische reserve tegenover de wereld nam af. De kerken waarin hij opgroeide en preekte, en waar het Reveil bloeide, staan er nu veelal leeg en doods bij. Soms is er nog eens per maand een dienst. Sommige hebben een geheel andere bestemming gevonden. Noordmans’ eerste pastorie is nu een bed and breakfast annex kanoverhuur.

Vormen zijn alleen tegen de tijd bestand wanneer zij een stijl uitdrukken die door geestelijk leven wordt geïnspireerd en geschraagd. Dat is de spiegel die het Friese Reveil ons voorhoudt.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam