Bart Jan Spruyt: Alleen de doop schept verwachting

Essays Spruyt
beeld RD, Henk Visscher

Voor onze gezinnen, scholen en kerken is er maar één bron van hoop, en die ligt niet in ons maar buiten ons: in Gods beloften. Als we dat vergeten, ligt volgens Calvijn het gevaar op de loer van „een soort geremdheid om kinderen op te voeden tot een vroom leven.”

Eigenlijk heb ik nooit ergens helemaal bijgehoord. Ik denk dat dat vooral komt omdat ik altijd en overal iets van een zijinstromer ben geweest.

Nu in het onderwijs, waarin ik pas twaalf jaar werkzaam ben. Daarvoor als politiek journalist en als Haagse opiniemaker: ik wist niets van politiek toen ik aan deze periode in mijn leven begon, en ben destijds alleen maar in Den Haag gaan werken omdat ik niet naar de Veluwe wilde verhuizen. En een conservatief is een politieke wees.

Daarvóór promoveerde ik in Leiden aan de theologische faculteit, terwijl ik nooit één theologisch college heb gevolgd. Ik ben geschiedenis gaan studeren omdat ik mijn hoofd niet kon houden bij de juridische colleges in Leiden en een geleerd nichtje mij toen naar Utrecht lokte.

Reformatorisch onderwijs volgde ik pas vanaf de vierde klas van de middelbare school. En zelfs als kerkganger ben ik een zijinstromer. Ik was een jaar of elf toen ik voor het eerst een kerkdienst bijwoonde. Daarvóór werd mijn leven helaas niet bepaald door de Bijbel, het leren van psalmversjes, zondagsschool en kerkgang, een bekeerde oma of een godvrezende vader, maar door voetbal, Mies Bouwmans ”Een-van-de-Acht” en de Osmond Brothers. Dat is, vrees ik, een levenslange achterstand.

Tegenstribbelend schaap

Toen wij van randkerkelijk kerkelijk werden, moest ik naar catechisatie, in de Bethelkerk in Waddinxveen.

Ik was de enige uit Boskoop en fietste rondjes rond de kerk en de ernaast gelegen vijver omdat ik niet naar binnen durfde, die eerste keer. De Bethelkerk had toen nog een achteruitgang, en juist toen ik daar weer langs fietste, kwam er een man naar buiten, in een donkere broek en wit overhemd, in de schemer van de avond. Hij wist dat ik zou komen. En toen hij mij zag, nodigde hij mij met open armen hartelijk naar binnen. Die man was ds. W. Verboom, later doctor en hoogleraar in Leiden.

Aan deze gebeurtenis moet ik steeds vaker terugdenken. Die ontmoeting –een herder die zoekt naar een verlegen en tegenstribbelend schaap en dat schaap geruststelt en meeneemt– lijkt mij steeds meer een verhelderend beeld van de essentie van het genadeverbond. Maar deze herinnering dringt zich ook steeds vaker aan mij op wanneer het weer eens gaat over de gordiaanse knoop rond de grote vraag naar het fundament van christelijke pedagogiek.

Hoe lang wordt er al niet nagedacht en gediscussieerd over de vraag wat in de opvoeding van onze kinderen en het onderwijs aan onze leerlingen het beginpunt is, het uitgangspunt, het aanknopingspunt?

Volgens sommigen, de radicalen, is dat punt er niet. Volgens hen is er in mensen geen verlangen, wordt het heil niet bemiddeld en heeft het geen historie en continuïteit, en is het dus nooit een vrucht van opvoeding.

Anderen koesteren wel enige pedagogische hoop, en baseren die op het verlangen – dat wel door de zonde is vervormd en verkeerd gericht is geraakt, en ook in christelijke kring is geseculariseerd, maar dat gecorrigeerd en geheeld kan worden, niet het minst door opvoeding en onderwijs, in huis, op school en in de kerk.

Kinderdoop

Wat mogen wij verwachten? Dat is de vraag. Sommigen zeggen: niks, anderen zeggen: toch wel iets, en beiden zoeken de basis voor het antwoord op deze vraag in een aanknopingspunt dat al dan niet in de mens, in kinderen en leerlingen en studenten, aanwezig is.

Pas mocht ik op de Driestar een masterclass geven over de kindbeelden van Calvijn en Rousseau. Ter voorbereiding herlas ik van Calvijn het zestiende hoofdstuk van het vierde boek van zijn ”Institutie”, het hoofdstuk over de kinderdoop.

Wat ik las wist ik al wel zo’n beetje, maar als je het nog eens leest maar dan met een brandende vraag in je hart, ontsluit zo’n tekst zich blijkbaar pas echt. Calvijn begint namelijk niet bij ons, maar bij God.

God is de God van het verbond en van grote beloften, die Hij in de doop aan onze kinderen betekent en verzegelt. Hoe leren wij ons toe-eigenen wat wij in Christus hebben?

Het kind, aldus Calvijn, „groeit toe naar het begrip van zijn doop” (IV.16.21). Het verbond en de kinderdoop zijn volgens Calvijn de basis van „vertrouwen en geestelijke vreugde”, en een bewijs van „de glorie van Gods goedheid.” Wij, als ouders, onderwijzers, docenten, worden door het zichtbare teken van Zijn verbond ervan verzekerd dat wij bij „de hemelse Vader zoveel genade hebben verkregen dat Hij ook voor ons nageslacht wil zorgen.”

Geremdheid

Als we dit opgeven of niet meer helder zien, getuigt dat niet alleen van „goddeloze ondankbaarheid” maar leidt dat ook tot „een soort geremdheid om kinderen op te voeden tot een vroom leven. Het is immers geen geringe stimulans voor ons om hen op te voeden in oprechte godsvrucht en gehoorzaamheid aan de Wet, wanneer we bedenken dat zij direct na hun geboorte al door God als Zijn kinderen beschouwd en erkend worden. Laten we daarom Hem onze kinderen opdragen, die Hij een plaats verleent in Zijn gezin en onder Zijn huisgenoten, dat wil zeggen: onder de leden van de kerk” (IV.16.32).

Dit is het fundament onder onze pedagogische activiteiten. Het heil ligt buiten ons maar wordt door opvoeding en onderwijs aan ons bemiddeld en bewaarheid. En ook al heb ik zelf eigenlijk nooit ergens helemaal bij gehoord: 55 jaar geleden in de Wilhelminakerk in Slikkerveer ben ik lid van een huisgezin en erfgenaam van een rijke traditie geworden – hoeveel je dan ook nog moet leren. Toen ben ik gedoopt.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam