Bart Jan Spruyt: Aangesproken door het gelaat van de Ander

Essays Spruyt
beeld RD, Henk Visscher

Volg ik mijn roeping wanneer de Ander, mijn naaste, mij aanziet en een appèl op mij doet? Ben ik beschikbaar wanneer leerlingen en studenten in hun gelaat mij hun vragen openbaren? Juist als ze niet mijn vragen (die de hunne niet meer zijn) herhalen? Bij het zoeken naar een antwoord daarop valt er veel te leren van Emmanuel Levinas.

Als iets wat je eigenlijk al weet, opnieuw wordt gezegd, maar dan door iemand anders die je dat nog nooit hebt horen zeggen, en wanneer die persoon dat ook nog eens zegt in geheel eigen bewoordingen, kan dat bekende zomaar helemaal nieuw worden en leer je iets alsof je er nog niets van wist.

Ik had dat onlangs met de Joods-Franse filosoof Emmanuel Levinas (1905-1995). Mijn naaste collega Ewald Mackay had mij een dvd gegeven met daarop drie oude IKON-documentaires over Isaac Bashevis Singer, Chaim Potok en Emmanuel Levinas. Ik heb die documentaires in de herfstvakantie zitten bekijken.

Levinas, die Jood was in het oude Litouwen, een vreemdeling was in Straatsburg en Freiburg (waar hij studeerde), de Holocaust overleefde (als enige van zijn familie), en daarna hoogleraar in Frankrijk werd, ontwikkelde een filosofie waarin het gaat om de ontmoeting met de Ander. Diens gelaat spreekt mij aan, doet een appèl op mij en doet een beroep op mijn verantwoordelijkheid. Wat dan volgt, als het goed is, is een dialoog waarin wij, ieder vanuit zijn eigen overtuiging, op zoek gaan naar waarheid. Zijn filosofie is dus typisch Joods, want daar is het leven één lange dialoog met de traditie en zijn alle conclusies voorlopig, zonder dat het bestaan van de waarheid wordt ontkend.

Bekering

In die dvd zegt Levinas op een gegeven moment: „Wanneer wij onze roeping volgen, ons laten aanspreken door de Ander, ons het lot van onze medemens aantrekken, dan is er sprake van een breuk met de natuurlijke orde. Want in die orde zijn wij mensen gericht op ons eigen ik, op zelfhandhaving en zelfbevestiging, op het blijven van wie we waren en zijn, op de volharding in het eigen zijn.”

”Jij die mij aanziet” doorbreekt een natuurlijke orde in mij die op zichzelf gericht is. Die natuurwet in mij is ook de ego-logische afwijking die de gehele westerse filosofie heeft gedomineerd, en die moet het onderspit delven.

Het beroep dat de Ander op ons doet, is ook Gods vraag aan ons (Mattheus 25:34-46; I Joh. 4:20). Levinas zegt dus eigenlijk gewoon dat we ons moeten bekeren. Maar hij zegt ons ook waarvan en waartoe, zodat we ineens begrijpen wat die bekering concreet inhoudt, en hoe schuldig wij staan tegenover God en onze (aller)naasten.

De persoon en het denken van Levinas waren in zekere zin nieuw voor mij. Ik was zijn naam al wel eens tegengekomen toen ik mij in Joodse filosofen als Martin Buber en Franz Rosenzweig verdiepte, maar die ontmoeting was vluchtig gebleven.

Sociale media

Nu moest ik hem behandelen tijdens de lessen filosofie op hogeschool de Driestar, en maakte ik bij de voorbereiding op mijn lessen, opnieuw en wat grondiger kennis met hem. Terwijl ik daarmee bezig was, las ik in het RD dat Cees Zweistra in Delft op hem was gepromoveerd en las ik ook zijn opiniestuk waarin hij onze omgang met sociale media vanuit het perspectief van Levinas bekeek. Ik nodigde Cees Zweistra uit om in mijn klas een gastles te komen geven over dit onderwerp. En daar is het van gekomen.

Op deze les, die twee klokuren duurde, kijk ik met veel vreugde terug. Cees Zweistra bleek een begenadigd docent, die erin slaagde met heel de klas in gesprek te komen en al die dametjes en heertjes tot intelligente vragen te inspireren. De betrokkenheid was groot, en dat was wel begrijpelijk: het ging om een kritische reflectie op de wereld van Facebook, Twitter en Instagram – een wereld waarin velen zich ophouden en zichzelf presenteren, zonder dat het, al te vaak, tot werkelijke ontmoetingen komt, zodat het sociale isolement alleen maar wordt versterkt.

En zo zag ik als het ware een soort ideale les zich voor mijn ogen ontvouwen. Het ging hier om een goede en serieuze vraag: onze omgang met sociale media. Een eigentijdse vraag, geen vraag die ik mij dertig jaar geleden stelde, maar wel een kwestie waarmee jonge mensen nu te maken hebben. Hoe vaak kan ons onderwijs verzanden in ónze antwoorden op oude vragen.

Zelfkritiek

Natuurlijk is het ook ons vak om leerlingen te helpen de juiste vragen te stellen. Maar schuiven wij onze eigen interesses en hobby’s niet al te vaak tussen onszelf en het gelaat van de leerling? Dwingt diens gelaat ons niet tot de zelfkritiek die ons uit het wereldje trekt waarin we onszelf hebben opgesloten?

Zie en hoor ik de vragen die zij zich nu stellen? Negeer ik dit appèl, dit beroep op mij, of neem ik mijn verantwoordelijkheid om lastige kwesties als diversiteit, evolutie, moderne media, terrorisme, liberalisme, etc., etc. met hen te bespreken?

En ben ik zo creatief dat ik uit de joods-christelijke traditie bronnen en teksten weet op te sporen die wij aandachtig met elkaar kunnen lezen en die ons kunnen helpen een antwoord te formuleren? Dat we ons gezamenlijk spiegelen in die traditie en in dialoog met elkaar een oplossing kunnen formuleren? En breng ik mijn leerlingen zodoende een houding bij die zij zelf weer zullen praktiseren als ze straks zelf voor de klas staan en, hopelijk, het gelaat van hun leerlingen zullen zien?

Jezelf wegcijferen

We moeten, zegt Levinas, ons in dienst stellen van de Ander, telkens wanneer diens gelaat in ons leven binnenbreekt en ons zijn vragen openbaart. Jezelf wegcijferende verantwoordelijkheid voor het beroep dat die verschijning op ons doet – ook dat is bekering.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam