Al wat waarachtig is…

Onze koning noemde in de Troonrede waardevolle deugden als kenmerken van onze nationale samenleving. Toch kan, hoe wenselijk ook, de louter burgerlijke functie van Gods wet niet het laatste doel zijn. beeld ANP, Remko de Waal

„Wie de wereld beschouwt, realiseert zich hoe bijzonder het is te leven in een land waarin mensen zich veilig kunnen voelen. Waarin vrijheid samengaat met verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidsgevoel. En waarin mensen nog altijd iets voor een ander overhebben.” Aldus onze koning dinsdag in de Troonrede, uitgesproken namens de regering. Waardevolle deugden worden genoemd als kenmerken van onze nationale samenleving. De regering zet in op „een sterke rechtsstaat die beschermt tegen criminaliteit, willekeur en machtsmisbruik.”

De studiedag rond de Nashvilleverklaring op 12 september werd besloten met eveneens een verwijzing naar een reeks van deugden. We treffen ze aan in een van Paulus’ brieven. Vanuit de gevangenis in Rome vermaant de apostel de gemeente van Filippi: „Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat beminnelijk is, al wat welluidend is, zo er enige deugd of enige lof is, bedenk dat” (Filippensen 4:8).

Wat Paulus tijdens zijn reizen in de hellenistische steden had gesignaleerd, was veelal het tegendeel: valsheid en leugen, schandelijk en oneerlijk gedrag, onreine hartstochten en verzet. Daartegenover voert de apostel een pleidooi voor een eerbaar en liefdevol leven. Opmerkelijk is dat hij daarvoor een deugdencatalogus uit de Griekse moraalfilosofie gebruikt. Geformuleerd door heidense denkers. Toch hoeven we dat niet heel vreemd te vinden. Immers, de algemeen menselijke deugden behoren bij de mens als schepsel naar Gods beeld (L. Floor). Gelukkig te prijzen is de samenleving waarin de wet van God beslag heeft op het volksleven. Calvijn noemt die wet „een breidel voor de ongebonden lusten van het vlees, die anders alle perken te buiten zouden gaan” en „nodig voor het openbare leven in de gemeenschap van mensen” (Institutie 2, 7, 10).

Juist vandaag de dag is het echt nodig om Gods heilzame geboden in herinnering te roepen. In onze samenleving, waarin geluiden klinken als dat liefde geen moreel oordeel nodig zou hebben (Femke Halsema), is dat te meer noodzakelijk betreffende de vragen rond huwelijk en seksualiteit. Laten kerken en scholen dat doen, laten christenen individueel daarvan getuigenis geven. Ook een interkerkelijke studiedag als genoemd heeft daarin een functie. Immers, in het houden van Gods geboden is grote loon.

Toch kan, hoe wenselijk ook, de louter burgerlijke functie van Gods wet niet het laatste doel zijn. Als Paulus in zijn brief aan de Filippensen een opsomming van gewenste deugden geeft, heeft hij eerst iets anders geschreven. Namelijk over de vrede Gods, die de harten en zinnen bewaren zal - in Christus Jezus! Het is de vrede die alle verstand te boven gaat, en die de vrucht is van het ware geloof. Het geloof waardoor een schuldige en onheilige zondaar verzoening en reiniging bij God ontvangt. Alleen de persoonlijke verzoening bij God door het bloed van Christus brengt de ware vrede. En die vrede is het, zo schrijft de apostel, die mij zal bewaren. Anders gezegd: Die binnen in mij en om mij heen de wacht zal betrekken. Die mijn hart en mijn zinnen in bedwang zal houden. Paulus gebruikt een woord dat zoveel zeggen wil als: die vrede zal als een garnizoen om mij heen zijn. De Geest van Christus is het die het mij leert: „Ik zal Uw geboden, die ik oprecht bemin, mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten” (Psalm 119:24 berijmd).