Adventskalender

Het was op vakantie. Op de snelweg. Zes kinderen in een auto is te veel. Dus we chauffeerden met twee auto’s. Ineens was ik mijn man kwijt. Rijdend voor me was hij mijn richtingaanwijzer. Maar er kwam wat tussen, langzaam maar trefzeker. Een vrachtwagen. Welke afslag moest ik nemen? De drie kinderen in mijn auto wisten het ook niet. Dus we gokten. Verkeerd. Ik had geen portemonnee. Geen navigatiesysteem. En dus ook geen idee welke kant we op moesten. We parkeerden. Trokken een beduimelde wegenkaart uit het dashboardkastje. Samen tuurden we ernaar. Deze kant op?

Op goed geluk dan maar. Toen ging er een lampje branden. Rood en dringend. Het was de benzinemeter. „Ook dat nog”, zei ik, „straks zitten we zonder benzine.” „O, dan belt u de ANWB”, zei de grootste. Maar we hadden geen telefoon. „Mam, alles gaat mis”, riep onze grote kleuter vanaf de achterbank. Hij huilde. Duwde zijn vuistjes voor zijn ogen. „U weet helemaal niet waar u heen moet.” Ik suste. „Jawel, we hebben net op het kaartje gekeken. Het komt goed.”

Het benzinepeil zakte nog verder. Aandachttrekkerig flikkerde het lampje. Onze zoon verstopte zijn gezicht in het kussen. „Ik durf niet meer te kijken”, snikte hij. „Je vertrouwt me toch wel”, zei ik. „Kijk, daar is de struisvogelboerderij. We zitten echt op de goede weg.” Het beetje benzine bleek genoeg en het kaartje had niet gelogen.

Hij was zijn mam-weet-vast-de-weg-nietverdriet alweer bijna vergeten. We liepen in de supermarkt. Er lagen dozen met chocolaatjes. Vrolijke kerstmannetjes erop. „Adventskalender”, vertelde het bordje. „Mam, wat is advent?” vroeg mijn zoon. „En mag ik zo’n kalender?” We liepen naar buiten. Advent, hoe moest ik dat nou uitleggen? Ik dacht aan de wijzen. Op weg naar Jeruzalem. Waar teleurstelling hun wachtte. En tegelijk zag ik een verdrietig jongetje. Met knuistjes in zijn gezicht. Op weg naar huis. „Weet je ook nog hoe wij pas op weg waren? Met rode benzinemeters en zonder portemonnee en navigatie?” Hij knikte. „En ken je dat verhaal van de wijzen nog? Ze waren ook op weg. Zonder Google Maps, zonder telefoon. Onzeker over waar ze heen moesten gaan. En toch waren ze blij. Toch vertrouwden ze erop dat ze er zouden komen. Dat is advent. Vertrouwend en verheugd elke dag dichter bij Kerst. Dichter bij de Redder.”

De chocoladekalender verschrompelde. Een gebed groeide. „Heere, vul de vakjes van de adventskalender van mijn kinderen met geloof en vertrouwen. Elke dag. Tot aan Kerst. Totdat ze thuis zijn.”