Accepteer dat exegeten niet altijd tot eensluidende Bijbeluitleg komen

„Natuurlijk is de Bijbelwetenschap nuttig voor de samenleving. Aan de kwaliteit van het gezaaide zaad zal het niet liggen. Dat moeten onderzoekers en Bijbellezers toch kunnen laten zien.” Foto: Bibliotheek Theologische Universiteit Kampen. beeld RD, Henk Visscher

Veel gelovigen voelen zich rechtstreeks aangesproken wanneer ze individueel of in kringverband de Bijbel lezen. Toch is het belangrijk te beseffen dat ze vragen stellen aan Bijbelteksten die in eerste instantie antwoord geven op vragen van gelovigen uit een heel andere tijd, stelt Arco den Heijer.

„Is Bijbelwetenschap nuttig voor de samenleving?” Deze vraag stelde Jan van der Watt onlangs in een lezing, voorafgaand aan zijn afscheidscollege als hoogleraar Nieuwe Testament aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

De vraag is niet alleen van existentieel belang (is het zinvol wat ik gedaan heb?) maar ook organisatorisch: maatschappelijke relevantie speelt een belangrijke rol in de beoordeling van subsidieaanvragen voor wetenschappelijk onderzoek.

Van der Watt spitste de vraag toe op zijn eigen onderzoek naar de ethiek van het evangelie van Johannes. Hij heeft dit onderzoek uitgevoerd vanuit de overtuiging dat de Bijbel meer is dan een fascinerend boek uit de oudheid, en dat de reflectie op goed en slecht handelen, zoals hij die in het evangelie aantreft, ingebracht moet worden in ethische discussies vandaag.

Maar ziet de samenleving daar ook het nut van in?

Gebruikmakend van statistieken uit het rapport God in Nederland, schetste Van der Watt een somber beeld. Het percentage Nederlanders dat gezag toekent aan de Bijbel, neemt steeds verder af. Kerken worden kleiner en binnen de kerk gelooft lang niet iedereen in een God die mensen aanspreekt door zijn Woord.

En zelfs de kleine groep in de samenleving die de Bijbel als Gods Woord beschouwt, ziet vaak niet het belang in van wetenschappelijk onderzoek daarnaar. Dat laatste punt wil ik hier graag centraal stellen.

Want het is waar: Bijbelwetenschap heeft ook in de kerk een ambivalente reputatie. Het bestaan van een wetenschap die de betekenis van de Bijbel onderzoekt, veronderstelt immers dat die betekenis niet zomaar duidelijk is.

Veel gelovigen voelen zich rechtstreeks aangesproken wanneer ze individueel of in kringverband de Bijbel lezen. Dan is het lastig als wetenschappers nagaan of de gevonden actuele betekenis wel past bij wat de tekst de eerste geadresseerden wilde zeggen.

De Bijbelwetenschap heeft ook zelf wel bijgedragen aan deze negatieve beeldvorming, door zich eenzijdig kritisch op te stellen tegenover de leer van de kerk en zich laatdunkend te uiten over de leespraktijk van ‘gewone’ Bijbellezers.

Gelovigen hebben het volste recht Gods Woord te overdenken en zich in hun persoonlijke situatie te laten troosten, bemoedigen of vermanen.

Maar zowel in het persoonlijk leven als in maatschappelijke discussies is het belangrijk in de gaten te houden dat wij vragen stellen aan Bijbelteksten die in eerste instantie antwoord geven op vragen van andere gelovigen, uit een heel andere tijd en cultuur. Dat mag in kerken uitgedragen worden, ook als exegeten kritische vragen stellen en niet in staat zijn tot eensluidende antwoorden te komen. Dat is immers inherent aan wetenschappelijk onderzoek en aan de beperktheid van ons kennen.

Na de lezing van Van der Watt reageerde een Duitse collega ontzet. Statistieken bepalen toch niet of een samenleving gebaat is bij Bijbelonderzoek? Zegt de Bijbel zelf niet dat veel van het zaad dat gezaaid wordt, verloren gaat op de rotsen of weggepikt wordt door de vogels? Het is het zaad zelf dat het verdient om met aandacht onderzocht te worden. Heb wat meer vertrouwen in het zaad en laat u niet de moed ontnemen door de vogels!

Natuurlijk is de Bijbelwetenschap nuttig voor de samenleving. Aan de kwaliteit van het gezaaide zaad zal het niet liggen. Dat moeten onderzoekers en Bijbellezers toch kunnen laten zien.

Arco den Heijer is promovendus Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.