Wouter J. Bakker heeft één roeping, op kansel en klavier

Staccato
Wouter J. Bakker. Beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Vandaag predikant-pianist Wouter J. Bakker.

Het is voor hem één roeping: het parttime predikantschap en een leven als uitvoerend pianist. Ds. Wouter J. Bakker (33) uit Nieuw-Lekkerland wil preken zoals hij muziek maakt. En: „Muziek moet meer zijn dan vermaak.”

De hervormde predikant heeft zijn week strak ingedeeld. Op maandag en woensdag staat hij op als predikant, op dinsdag en donderdag is hij pianist. Zondags dient hij met enige regelmaat op hervormde kansels, maar soms is hij ook achter de vleugel of het orgel te vinden.

Op muziekdagen zit hij vaak te studeren aan zijn vleugel die in ‘zijn’ kerk, de Maranathagemeente, staat. Werken van Bach en Beethoven, Franck en Messiaen, Liszt en Pärt. Als solist treedt Bakker op in kerken en kleine concertzalen. Meerdere keren vervulde hij de solorol tijdens concerten van het christelijk symfonieorkest Sjosjanim, zoals onlangs in Rotterdam en Rhenen met het vierde pianoconcert van Beethoven.

1. Ik wist niet wat ik wilde worden: predikant of musicus. Ik werd het maar allebei.

„Ik speelde al jong piano en ging op m’n 14e naar de afdeling jong talent van het Utrechts conservatorium. Dat het de kant van de muziek op zou gaan, zat er dus al vroeg in. Tegelijk was ik ook bezig met de Bijbel en wilde ik graag mensen vanuit het Evangelie van dienst zijn. Daarom begon ik naast mijn conservatoriumopleiding aan de studie theologie. Met dat laatste liep ik overigens op het conservatorium niet te koop. Docenten vonden dat dat echt niet kon, een tweede studie ernaast. Voor de muziek moest je helemaal gaan. Het kon wel, heb ik ervaren. De theologie hoorde óók bij mijn roeping. Tegelijk heb ik geen moment overwogen de muziek te laten schieten. Hoe dat in de toekomst zal gaan, weet ik niet, maar tot nu toe ben ik met deze combinatie heel gelukkig. Het een versterkt het ander, noem het een kruisbestuiving. Deze beide kanten van mijn leven vormen voor mij één roeping.”

2. Parttime musicus zijn kan eigenlijk niet.

„Het kan wel, als je maar blijft studeren, zorgt dat je uitdagingen hebt en je steeds nieuwe doelen stelt. Zo wil ik komend jaar twee solo-cd’s opnemen. Dat is een duidelijk doel. Hannes Minnaar studeerde ook piano in Amsterdam. Hij brak door na zijn succes op het Elisabethconcours in Brussel. Ik zeg niet dat ik zo ver had kunnen komen. Maar als ik eerlijk ben, ben ik niet jaloers op hem. Fulltime concertpianist, dat perspectief is mij te eenzijdig. Ik speel eigenlijk nooit in grote concertzalen. Op een vraag voor het Radio 4-programma Spiegelzaal ben ik niet ingegaan, omdat het op zondagmorgen is. Ik speel vaak in kerken of op kleine podia, vanwege de intimiteit. Een kerk is voor mij eigenlijk de ruimte bij uitstek om te musiceren. Daar komt de muziek het best tot haar recht. Zo’n ruimte werkt mee om muziek te transformeren tot een boodschap die mensen raakt.”

3. De studie theologie heeft mijn visie op muziek verdiept.

„Ja, zeker. Er loopt een duidelijke lijn van het geloof naar de esthetiek. Het Bijbelse begrip ”heerlijkheid” speelt daarin een belangrijke rol. Schoonheid is daar een onderdeel van. Ik zoek in mijn musiceren naar de combinatie hemel én aarde, hoogte én diepte. Misschien dat ik daarom weinig met Mozart heb gedaan. Is zijn pianomuziek te luchtig? Niet dat ik alleen geestelijke muziek speel. Maar ik zoek wel naar composities waarin zo’n geestelijke boodschap in ieder geval latent aanwezig is. Muziek moet meer zijn dan vermaak. Neem Liszt. Laatst heb ik voor collega-predikanten zijn variaties over ”Weinen, Klagen” gecombineerd met Psalm 13. Een stuk muziek, gevolgd door een stukje Bijbeltekst. Door zo’n psalm eraan te verbinden, krijg je een heel ander zicht op het ”klagen”. En het slot van Liszts stuk, met het koraal ”Was Gott tut das ist wohlgetan”, kreeg een bijzondere lading vanuit het slot van Psalm 13.”

4. Mijn musicus zijn beïnvloedt mijn predikant-zijn.

„Ik zou lang met de liturgie bezig kunnen zijn. Het liefst bereid ik een dienst voor in samenwerking met de organist. Op andere momenten ben ik de musicerende dominee: als ik bij de catechese het zingen begeleid, of als ik soms, als ik niet hoef voor te gaan, tijdens de diensten achter het orgel of de vleugel zit. Heel mooi vind ik het ook om voor de stichting Muziek in Huis in verzorgingshuizen te spelen. Klassieke en meditatieve muziek. Dan merk je dat muziek tot de diepste lagen van onze ziel behoort. Mensen met alzheimer reageren op bekende melodieën of zingen psalmen uit hun jeugd weer mee. Muziek is zo’n wonder. Heel vaak valt tijdens het musiceren een beetje licht van de hemel naar binnen. Muziek is de mooiste scheppingsgave.”

5. Ik wil preken zoals ik muziek maak.

„Als musicus ben je bezig met communicatie: de muziek moet overkomen. Je vertelt een verhaal. Als dat niet overkomt, ligt het aan de hoorder óf aan de vertolker. Niet aan de muziek. Zo is het met de preek ook. Je hoopt dat mensen geestelijk geraakt worden. Als dat niet gebeurt, ligt dat aan de hoorder of aan de predikant, nooit aan het Woord. Ook zijn in communicatie oprechtheid en authenticiteit wezenlijk. Dat wat je wilt communiceren –het Evangelie, de muziek– je werkelijk toegeëigend hebt. Ja, zo bezien zit er muziek in een preek.”

6. Een organist kan de kerkdienst maken en breken. Soms jeuken mijn handen om de kansel te verruilen voor de orgelbank.

„Een organist kan een geweldige naprediker zijn en kan ook veel kapotmaken, dat is waar. Maar ik wil eerst gezegd hebben dat ik ontzettend veel respect heb voor organisten die woekeren met hun talenten, al is het er maar één. Ik ken iemand die voor de voorbereiding acht uur uittrekt! Daarom probeer ik als predikant ook positieve feedback te geven. Soms inderdaad een tip. De kwaliteit is vaak een probleem. Ik heb geen behoefte om af te geven op mijn organisten, maar het gebrek aan kwaliteit speelt breed. Wat kun je eraan doen? We moeten jongeren warm maken voor kerkmuziek, organisten ruimte geven voor nascholing. En als predikant kun je proberen te motiveren.”

7. Wat Bach is voor de organist, is Beethoven voor de pianist.

„Voor mij begint het net zo goed bij Bach. Hij heeft nog net de pianoforte gekend. Bachs muziek klinkt fantastisch op piano. Voor zijn ”Kunst der Fuge” schrijft hij geen instrument voor, maar die muziek komt op piano heel goed tot haar recht. Of ”Das wohltemperierte Klavier”, wel Bachs Bijbel voor pianisten genoemd. Bach is voor mij het uitgangspunt, de basis, het archimedisch punt. Je moet op piano een vertaalslag maken. Maar dat moet je bij al zijn muziek. En na Bach? Dan zijn er verschillende componisten die ik graag voor het voetlicht haal, zoals Franck, Medtner en Messiaen.”

8. De muziek van Messiaen raakt bij mij een bijzondere snaar.

„Klopt. Hij heeft ontzettend veel gecomponeerd, ook voor piano. Hij was de belangrijkste componist van de 20e eeuw. Hij wilde ook de liturgie naar de concertzaal brengen. Hij was diepgelovig én had een bijzondere antenne voor de schoonheid van de natuur. Zijn muziek heeft grote zeggingskracht, een soort wijding, die me raakt. Mijn docent Håkon Austbø, een van de belangrijkste Messiaenvertolkers, heeft mij die liefde bijgebracht. Ik heb zelf deze muziek in Manilla uitgevoerd. Geweldig om te zien hoe dat de mensen daar raakte. Velen vinden Messiaen ontoegankelijk. Maar je moet je ervoor openstellen. Dan groeit de waardering vanzelf.”

9. Spelen met een orkest is heerlijk. Maar het liefst zit ik alleen op het podium.

„Ik heb eigenlijk geen voorkeur. Van een recital kan ik erg genieten. Je bent minder afhankelijk, hebt het zelf in de hand. Maar het samenspelen met een orkest als Sjosjanim geeft me ook veel vreugde. Dat het een amateurorkest is, hindert niet. Sjosjanim is een erg toegewijd en muzikaal orkest en met dirigent Patrick van der Linden wordt een voor een amateurorkest hoog artistiek niveau behaald. Laatst speelden we het vierde pianoconcert van Beethoven. In het tweede deel speel ik dan heel verstild, eigenlijk als een soort gebed, waarbij het orkest steeds als een soort tegenwerping invalt. Prachtig als je na afloop hoort dat dat mensen diep geraakt heeft.”

10. Kunst om de kunst is aan mij niet besteed. Muziek heeft voor mij altijd een geestelijke dimensie.

„Ik geniet van veel muziek, en niet alleen geestelijke. Maar mijn voorkeur ligt bij wat ik noem de ”sacred art music”: muziek die een christelijke spiritualiteit wil uitdrukken. De diepgang kan er voor mij echter ook in liggen dat er een boodschap over lijden en rampspoed in doorklinkt. Muziek die de harde werkelijkheid ontstijgt, is aan mij inderdaad niet besteed. Geen ”l’art pour l’art”. Het hoeft niet per se christelijk te zijn, als het maar diepgang en een doel heeft. Het moet geen schijnwereld worden.”


Levensloop Wouter J. Bakker

Wouter J. Bakker (33) werd in Amsterdam geboren. Toen hij 3 was, verhuisde het gezin naar Lunteren. Op zijn 4e begon Wouter met viool spelen, later stapte hij over op de piano. Op zijn 14e begon hij in de afdeling jong talent van het Utrechts conservatorium. Na de middelbare school ging hij aan het Amsterdams conservatorium verder met zijn pianostudie. Zijn docenten waren Håkon Austbø, David Kuyken, Alan Weiss en Willy Muller. In 2005 rondde hij zijn pianostudie cum laude af.

Bakker studeerde aan het Amsterdams conservatorium tevens kerkmuziek en orgel; aan de Universiteit Utrecht en de Protestantse Theologische Universiteit deed hij theologie. Sinds 2010 is Bakker, die lid is van de Gereformeerde Bond, parttime als predikant verbonden aan de confessionele Maranathagemeente in Nieuw-Lekkerland.

Als pianist won Bakker verschillende prijzen op concoursen, waaronder het Prinses Christina Concours. In 1997 maakte hij zijn eerste solo-cd-opnamen met werk van Gershwin. Als vaste begeleider is hij verbonden aan het Toonkunstkoor Wageningen van Patrick van der Linden. Ook speelde hij meermalen met het christelijk symfonieorkest Sjosjanim. Samen met Mark Snitselaar (klarinet) en Janneke Zegveld (viool) vormt hij het Trio Parnasse.

Bakker is getrouwd en heeft drie kinderen.