Weblog: Diederik Blankesteijn volgt masterclasses in Haarlem (slot)

Diederik krijgt les van Margaret Phillips op het orgel van de Bavo. Foto RD RD
8

HAARLEM – Diederik Blankesteijn (16) uit Nijkerk volgt van woensdag 18 tot en met woensdag 25 juli in Haarlem de masterclasses voor YoungTalents van het Internationaal Orgelfestival. Hij houdt een weblog bij.

8. Donderdag 26 juli (slot)

Donderdag was mijn laatste dag op het orgelfestival. Toch wel jammer dat het zo snel voorbij is gegaan. Natuurlijk heb ik nog zo veel mogelijk gedaan, dus dit stukje krijg ik nog wel vol. Helaas mis ik het slotconcert, maar dat kan ik live volgen op internet.

’s Morgens vroeg heb ik gespeeld op het orgel van de Sint-Josephkerk, het orgel van Hendrik Andriessen en Albert de Klerk. Het is een bijzonder mooi orgel, en het verkeert in goede staat, omdat het vorig jaar nog gerestaureerd is. Het orgel is gebouwd door Adema in 1906, en is duidelijk geïnspireerd door de Franse orgelbouw, met name Cavaillé-Coll. Dit is onder meer te merken aan de erg forse trompetten, waar ik wel van houd. De overbrenging van de toetsen naar de pijpen verloopt elektro-pneumatisch, wat als gevolg heeft dat het geluid iets achteraan komt.

Om vier uur was in de Bavo een orgelconcert door de Franse organist Louis Robillard. Hij speelde allemaal romantische stukken, wat in de Bavo veel werk oplevert voor de registranten. Hij begon prachtig met het Deuxième Choral van Franck, waarna hij zijn bewerking van een mooie Sicilienne van Gabriel Fauré speelde. Daarna speelde hij twee koraalvoorspelen van Brahms. Toen kwam het hoogtepunt: de een halfuur lang durende fantasie en fuga over ”Ad nos, ad salutarem undam” van Franz Liszt, een van de mijlpalen van het romantische orgelrepertoire. Het was een geweldig concert.

Daarna was er een publieke discussie met James David Christie en Jean-Claude Zehnder over het onderwerp ”vrijheid”. Ik vroeg me van tevoren af waar het precies over zou gaan, omdat vrijheid een breed onderwerp is, en zijzelf hadden zich dat ook afgevraagd. Zehnder liet aan iedereen een kopie uitdelen van een door hem gemaakt blad met fragmenten uit 17e- en 18e-eeuwse muziektheoretische werken. Die stukjes gingen over ritmische vrijheid die uitvoerders moeten nemen. Jacques van Oortmerssen benadrukte dat de ritmische vrijheid van die tijd totaal anders is dan die van de 19e eeuw en onze tijd. Van ”tempo rubato” zoals wij dat kennen was pas voor het eerst rond 1780 sprake. Daarnaast kwam ter sprake dat muzikale vrijheid een stevige basis in regels moet hebben, waarvandaan je vrij kunt zijn, net zoals vrijheid in een democratie ook alleen werkt met regels.

’s Avonds was mijn laatste festivalactiviteit: een improvisatiemasterclass van Jos van der Kooy in de Philharmonie. Van der Kooy ging in op verschillende aspecten van improviseren: welke vorm gebruik je, waarom doe je wat je doet, houd het simpel zodat je controle houdt over je spel, enzovoort. We hadden verschillende dingen voorbereid, en Van der Kooy gaf overal opbouwend commentaar bij. Al met al heb ik veel van deze improvisatielessen geleerd deze week.

Het is erg leuk om bijna twee weken lang ondergedompeld te zijn in de muziek. Er is elke dag wel een concert en behalve de YoungTalents-masterclasses kon ik voor weinig geld andere masterclasses bezoeken. Daar heb ik er ook veel van bezocht, ik heb Bachmasterclasses gedaan, en een aantal lessen van de improvisatiemasterclass voor beginners. Je leert daar veel van, en het is ook leuk om te doen. Door dit festival heb ik ook weer motivatie gekregen om verder te gaan oefenen aan muziekstukken, want er zitten binnenkort concoursen voor mij aan te komen. Daarnaast ontmoet je veel mensen uit binnen- en buitenland, zowel medestudenten als docenten, waardoor je weer contacten maakt. Ik vond het kortom geweldig om te kunnen doen.

Ten slotte wil ik het RD bedanken voor het mogen schrijven van deze weblog, alle mensen die de moeite hebben genomen hierop te reageren, en natuurlijk alle lezers die de tijd hebben genomen om mijn stukjes te lezen.


7. Woensdag 25 juli

De laatste YoungTalents-masterclass was woensdagmiddag. ’s Morgens ben ik nog bij een Bachmasterclass van James David Christie geweest. Op de masterclass van Ton Koopman na, die helemaal vol zat, heb ik alle Bachmasterclasses nu bezocht. Christie behandelde de toccata en de fuga van BWV 564. De toccata moet je volgens hem zien als een Italiaans vioolconcert (vanaf de pedaalsolo), en dus ook de klank van een viool in je hoofd hebben als je de toccata speelt, zodat je een goede uitvoering krijgt. Voor de fuga geldt dit ook. Daarnaast behandelde hij ”Von Gott will ich nicht lassen” (BWV 658). Hij legde uit dat de melodie van dit lied erg populair was in de 17e/18e eeuw, en in verschillende landen ook onder verschillende namen bekend was. Hij ging onder andere in op de vraag of je een achtvoets of een viervoets register moet gebruiken voor de melodie in het pedaal.

Een halfuur nadat deze les afgelopen was, begon de laatste YoungTalents-masterclass door Margaret Phillips in de Bavo. Weer hebben we allemaal gespeeld. Ik speelde (weer) de prelude in G (BWV 541), die ik nog niet in de Bavo gespeeld had. Phillips gaf veel bruikbare aanwijzingen over ritme, accenten, vinger- en voetzettingen, enzovoort. Na de masterclass konden we ons certificaat ophalen, als bewijs dat we hieraan meegedaan hebben. Daarnaast werden we nog gevraagd om een enquête in te vullen over het orgelfestival.

In Alkmaar was ’s avonds een orgelconcert in plaats van in Haarlem. Voor de pauze speelde Pieter van Dijk op het Van Covelensorgel, het koororgel uit 1511, een van de oudste bespeelbare orgels van Nederland. Hij speelde werken van Sweelinck en wist dat erg goed en stijlvol ten gehore te brengen. We hoorden vooral variatiewerken: het laten horen van variaties op psalmen en liederen was in de 16e/17e eeuw de dagelijkse taak van een organist. Het is een erg mooi orgel: het plenum is heel schel, en klinkt heel oud, en sommige fluiten zijn juist weer heel zacht en lief, vooral die van het Borstwerk, dat achter de speeltafel zit.

Na de pauze speelde James David Christie op het grote Van Hagebeer/Schnitgerorgel, dat net als het koororgel een erg mooie klank heeft. Christie speelde het grote koraalvoorspel Te Deum Laudamus (BuxWV 218) van Dieterich Buxtehude. Op dat moment hoorden we steeds hoge piepjes in de kerk, wat erg storend was. Uiteindelijk bleek het een gehoorapparaat van iemand te zijn, en gelukkig werd die uitgezet. Tot slot hoorden we de prachtige partita over ”Sei gegrüsset, Jesu gütig” van Bach. Christie speelde alle variaties vrij snel, te snel naar mijn smaak, maar toch wist hij het stuk mooi te brengen.

Vrijdagmorgen volgt mijn laatste stukje, want donderdag is mijn laatste dag in Haarlem. Het gaat toch wel snel, die anderhalve week.


6. Dinsdag 24 juli

Mijn dag begon vroeg gisteren, want om halfnegen ’s morgens begon alweer de tweede masterclass in de Bavo van Margaret Phillips. Het was een openbare masterclass, voor onze families dan, want boven is geen plek voor heel veel mensen. We kwamen weer allemaal aan de beurt. Bachmasterclasses zijn erg anders dan masterclasses over romantische muziek: bij Bach gaat het vooral om articulatie, accenten, pedaalzettingen, enzovoort, maar bij romantische muziek gaat het vooral om rubato, legato, en expressiviteit. Ik speelde aan het eind de fuga in G (BWV 541) voor.

Die middag was de tweede masterclass van Jos van der Kooy over improvisatie. We zaten dit keer in de Josephkerk, de kerk waar Hendrik Andriessen en Albert de Klerk organist geweest zijn. In de kerk staat een tweeklaviers Ademaorgel dat qua uiterlijk veel klassieker lijkt dan het is. Van der Kooy leerde ons dingen over ideeën en vormen, en hoe je die moet gebruiken bij het improviseren.

’s Avonds was er een stadsorgelconcert in de Bavo. Voor de pauze speelde Zsigmond Szathmáry moderne werken, waaronder een compositie van zichzelf. Hij speelde met het orgel en tegelijk draaide een door hemzelf gemaakte tape (”tonband”). Voor zijn eigen compositie (”Leichte Brise – grosser Orkan”) gebruikte hij een speciale machine waarmee hij de windtoevoer naar de pijpen kon veranderen. Het klonk als een soort zwelkast waarmee je ook de toonhoogte verandert. Ik kon weinig van de muziek volgen.

Na de pauze begon het pas echt: Martin Sander speelde romantische klassiekers. Hij begon met de Phantasie über ”Ein feste Burg” van Max Reger, een stuk waarin bombastische akkoorden afgewisseld worden met zachte meerstemmige gedeelten, met als thema het lied ”Een vaste burcht”. Daarna speelde hij van Robert Schumann twee fuga’s over het thema B-A-C-H, en tot slot een enorm werk van Franz Liszt: Präludium und Fuge über B-A-C-H. Met het laatste slotakkoord, dat hij heel lang aanhield, was het concert ten einde. Martin Sander lijkt als hij zijn toelichting geeft een rustige man, maar eenmaal aan de toetsen ontpopt hij zich als een ware hoofdenschudder en armenzwaaier. Dat is zeker bij deze muziek geen nadeel, maar soms wel afleidend, aangezien we op schermen mee konden kijken.


5. Zaterdag 21 t/m maandag 23 juli

Dit weekend heb ik rustig aan gedaan, want al die concerten en masterclasses kosten veel energie. Afgelopen zaterdagavond was ik in de Nieuwe Kerk in Haarlem voor een van de topconcerten van het festival. Als slot van de excursie ”From Sweelinck to Bach” voerde het Gesualdo Consort Amsterdam werken van Jan Pieterszoon Sweelinck uit, Nederlands belangrijkste componist. De zangers werden afgewisseld door Bernard Winsemius, die orgel speelde.

Het Gesualdo Consort bestaat uit zes mensen: twee sopranen, twee tenoren, één alt en één bas. Harry van der Kamp, de bas, leidt het ensemble. De zangers zongen twee- tot zesstemmige werken, waarbij elke partij door één zanger werd gezongen, dus de zangers hoefden niet allemaal de hele tijd te zingen. Het koor liet vier psalmen van Sweelinck horen, en daarnaast chansons, rimes, en tot slot een zesstemmig madrigaal. Het valt bij de muziek op dat (voor onze hedendaagse oren) de kerkelijke muziek heel veel op de wereldlijke muziek lijkt qua stijl. Het consort zingt heel erg zuiver.

Om het koor af te wisselen speelde organist Bernard Winsemius behalve werken van Sweelinck ook nog werken van Sweelincks tijdgenoot John Bull. Van Sweelinck speelde hij vier variaties ov er ”Ich ruf’ zu dir” (met onder andere de aparte, maar mooie Vox Humana van het orgel), en de Poolse Allemande ”Soll es sein”, een vrolijke dans. Winsemius speelde mooi en stijlvol, en wist zowel met het orgel als met de muziek goed om te gaan.

Het orgel van de Nieuwe Kerk is een bijzonder orgel. Het is niet heel groot: 21 stemmen verdeeld over twee klavieren en pedaal. Het is in 1791 (twee eeuwen na Sweelinck) gebouwd in de Nieuwe Kerk, maar de meeste pijpen van het hoofdwerk komt uit het 16e/17e-eeuwse orgel dat eerst in de Bavo stond. Daarentegen heeft het bovenwerk een meer 18e-eeuws (galant) gezicht. De ongelijkzwevende stemming is ook niet heel oud, waardoor het orgel aardig flexibel is. We hoorden vooral de oude kant van het orgel, die het beste bij Sweelincks muziek past.

Zondagavond bezocht ik een zangdienst in de Bavo, (be)geleid door Jos van der Kooy. Helaas waren er niet veel mensen naartoe gekomen. We zongen verschillende soorten liederen: psalmen, nieuwe liederen en een aantal gezangen van Johannes Gijsbertus Bastiaans, in de 19e eeuw stadsorganist van Haarlem. Van der Kooy begeleidde, improviseerde, en speelde mooi en afwisselend en gaf ook nog een toelichting bij zijn programmakeuze.

Maandagochtend bezocht ik in de Bavo een masterclass van Jean-Claude Zehnder. Hij is niet zo’n sterke leraar als bijvoorbeeld Olivier Latry of Jacques van Oortmerssen: hij weet niet zo heel veel informatie over te brengen. Desondanks heb ik weer een paar dingen geleerd over Bachinterpretatie.

Om kwart over één begon de eerste YoungTalents-masterclass van Margaret Phillips. We zouden eigenlijk in de Bavo les hebben, maar dat kon niet, dus moesten we uitwijken naar de doopsgezinde kerk (een orgel van Ahrend, 24 stemmen verdeeld over drie klavieren). We speelden alle zeven, en ik stak van wal met de Prelude in G (BWV 541). Phillips gaf mij aanwijzingen over de interpretatie: ze zei dat ik iets te veel vrijheid nam, vooral bij de eerste maten van het stuk, en verder gaf ze nog wat kleine aanwijzingen. Verder hebben we het koraal ”Schmücke dich, o liebe seele” (BWV 654) behandeld, dat als een langzame dans gecomponeerd is.

Daarna volgde ik in de Bavo een heel interessante masterclass ”Improvisatie voor beginners” door Jos van der Kooy. Hij weet iedereen te inspireren om te improviseren, en geeft daar bruikbare adviezen voor: probeer een verhaal te vertellen, ga niet te veel op de gebaande wegen, begin je improvisatie niet met een lange basnoot, enzovoort. Hij weet aan te sluiten bij de (kerkelijke) situatie van de mensen zelf: mij vroeg hij te improviseren over Psalm 150, met als registratieaanwijzing: de stad Haarlem heeft in 1738 niet voor niets voor al die pijpen betaald, gebruik ze dan ook. De komende week ga ik nog een paar van deze masterclasses volgen, het is een andere manier van werken dan bij literatuurspel.


4. Vrijdag 20 juli

Vrijdagmiddag was de laatste en ook openbare masterclass van Olivier Latry in de Philharmonie. Er waren nog een heel wat belangstellenden gekomen, die plaatsnamen op stoelen op het podium. Ikzelf was gelijk aan de beurt: ik was eerder nog niet aan de beurt geweest om te spelen en het stuk dat ik voorbereid had, zou hij gisteren behandelen.

Het spelen op een Cavaillé-Collorgel was erg wennen, vooral omdat de toetsen anders voelen, en je ze ook anders moet aanslaan. Alles wat je met je handen speelt ‘plakt’ al snel aan elkaar waardoor je op veel momenten een ‘droog’ legato moet gebruiken. Als je staccato wilt horen, moet je nog veel losser en korter spelen dan je gewend bent. Daarentegen is het pedaal, vooral vanwege de (zwaar ronkende) tongwerken, iets trager en moet je goed aan elkaar spelen en de toon de tijd geven om tot klinken te komen.

Mijn stuk was het ”Pièce Héroïque” van César Franck. Latry gaf commentaar op mijn spel over met name het karakter van het stuk (héroïque, heroïsch): ik moest dat meer naar voren laten komen, zodat luisteraars (gelijk vanaf het begin) weten hoe het is. Daarnaast leerde hij nog wat dingen die typisch zijn voor Franse muziek en technische dingen. Omdat er vier waren die het Pièce Héroïque hadden voorbereid, heb ik zelf alleen het eerste deel behandeld, maar het luisteren naar de rest is ook erg leerzaam. Latry was weer erg enthousiast. Hij is erg goed in het duidelijk maken van wat hij bedoelt, door voor te spelen, of door vergelijkingen te maken met het dagelijks leven.

’s Avonds om kwart over acht begon de grote finale: de finale van het improvisatieconcours. Drie deelnemers waren overgebleven: Noël Hazebroucq (Frankrijk), Edyta Müller (Polen) en Paul Goussot (ook Frankrijk). De jury wist de volgorde van de deelnemers niet: de juryleden wisten niet eens wie ze door hadden laten gaan naar de finale, zodat het eerlijk zou verlopen.

De deelnemers speelden allemaal een improvisatie over een speciaal gecomponeerd thema van de componist Peter Planyavsky. Als toelichting stond vermeld: „The improviser is entirely free to determine the nature of the improvisation. Any suggestion of form, for example a hymn tune, is not intended.” Dat laatste was niet toevallig, het thema was een opeenvolging van hele noten verdeeld over vijf regels, en had qua vorm bijna helemaal een oude liedmelodie kunnen zijn. De finalisten speelden eerst de melodie en gingen daarna improviseren.

Noël Hazebroucq maakte eerst een opbouw, kwam uit bij felle akkoorden en clusters, toen speelde hij zacht, met in de linkerhand kwinten (uit de vierde regel van het thema) en in de rechterhand de eerste regels van het thema. Dit deed hij op een lyrische manier, het klonk erg als volksmuziek. Hij eindigde zacht, om daarna zijn improvisatie te besluiten met een kort hard majeurakkoord. Hij was de meest ‘traditionele’ van de finalisten. In het interview dat tijdens het juryberaad met de finalisten werd gehouden onder het orgel zei hij dat hij geïnspireerd was door de volksmuziek: hij speelt ook Keltische bombarde. Bij zijn improvisatie had hij een verhaal bedacht dat hij volgde: een verhaal over konijntjes. Hij kreeg de derde prijs, onterecht naar mijn mening, want ik vond hem de beste. Hij was het concreetst in zijn muziek, duidelijk te volgen, en durfde ook ‘normale’ akkoorden te laten horen.

Edyta Müller speelde, net als twee dagen daarvoor in de Philharmonie, totaal anders dan de andere deelnemers. Zij liet niet zozeer muziek horen maar meer vreemde geluiden en klankvelden. Ik kon zelf het thema niet goed horen, alleen soms wat flarden. Na afloop zei ze dat ze vooral klankmuziek maakte, namelijk experimenteren met klankvelden en vreemde geluiden zoals dat in de jaren 60 ontdekt was. Eigenlijk was ze dus nog best ouderwets. Ze kreeg de tweede prijs.

Paul Goussot wist een heel spanningsvolle improvisatie te maken, met een langzame opbouw en heel kleurrijke muziek. Een schilder uit het publiek zei dat hij juist bij Goussots improvisatie kleuren zag. Bij Goussot was het thema wel te horen, maar minder duidelijk dan bij Hazebroucq. Goussot werd de winnaar van zowel de hoofdprijs als de publieksprijs van het concours.

Na afloop vroeg ik nog aan de oude Piet Kee, drievoudig winnaar van het concours, wat hij ervan vond. Hij antwoordde nonchalant: „O, daar heb ik helemaal geen verstand van.” Uiteindelijk liet hij zich toch verleiden om commentaar te leveren: hij had er gemengde gevoelens bij. Hij vond dat de deelnemers teveel met effecten („ze zitten zo te rammen”) speelden en met te weinig inhoud. Daar had hij wat mij betreft gelijk in.


3. Donderdag 19 juli

Vanochtend was ik voor het eerst bij het orgel van de St.-Bavokerk voor een masterclass. Ik ging luisteren bij een masterclass over Bach van Jacques van Oortmerssen. Het orgelbalkon van het Müllerorgel is voor een orgelbalkon indrukwekkend groot, maar bij zo’n masterclass wordt het toch al snel krap boven. Ik kon nog net een plekje vinden op een klapstoel onder een van de gigantische 32-voets pedaaltorens.

Van Oortmerssen is al aan het lesgeven en luistert naar een van zijn leerlingen, die eigenlijk allemaal uit het buitenland komen. Hij kijkt naar de handen van de leerling, dan naar de voeten, dan kijkt hij weer naar de muziek, slaat tussendoor even de bladzijde om of zit met zijn ogen dicht op een stoel te luisteren. Daarna geeft hij commentaar, waarbij hij zich grotendeels tot het publiek (de andere deelnemers aan de masterclass) richt, of hij schuift zelf op de orgelbank om voor te doen hoe het moet (of hoe het niet moet). Zo komen verschillende leerlingen aan de beurt, en na twee uurtjes is de masterclass weer voorbij.

Jacques van Oortmerssen behandelt eerst het koraalvoorspel ”Nun komm’, der Heiden Heiland” (BWV 659). Hij legt uit wat het verschil in componeren en spelen van een vrolijk stuk en een droevig stuk is. Dat doet hij vooral aan de hand van nog een ander droevig stuk: het grote preludium in e (BWV 548). Hij besteedt namelijk vooral aandacht aan het goed naar voren brengen van het karakter van het stuk. Daarbij besteedt hij aandacht aan de retorische figuren die je overal in de muziek tegenkomt, met verwijzingen naar symboliek, zoals lage noten voor aarde/hel en een dalend loopje als Jezus Die naar de aarde komt. Barokmuziek heeft heel veel te maken met retoriek. Je vertelt als het ware een verhaal aan je luisteraar: je moet hem proberen te overtuigen, meenemen in de muziek. Dat doe je niet door onnodige bewegingen te maken, dat belemmert alleen maar, of het zo stoer mogelijk neer te zetten, want het preludium is (al speel je het met het volle werk) vooral een droevig stuk, waarbij je de grootst mogelijke aandacht moet besteden aan het naar voren brengen van de verschillende stemmen en melodieën, die je overal tegenkomt in het stuk.

Vanmiddag was de tweede YoungTalents-masterclass van Olivier Latry. We behandelden eerst een 20e-eeuws stuk: ”Joie et Clarte des Corps Glorieux” van Olivier Messiaen, een toccata-achtig vrolijk stuk met gregoriaanse melodieen en triomfantelijke akkoorden en loopjes, afgewisseld met wat rustiger delen in een Indiase sfeer. Latry gaf weer enthousiast les: hij gaf veel nuttige aanwijzingen over de uitvoering, afgewisseld met verhalen en anekdotes over de muziek en de componist. Daarna behandelden we de Cantilene uit de Suite Breve van Langlais: een aan het begin schijnbaar simpel stuk, dat later echter gigantisch ingewikkeld wordt. Als laatste deden we nog enkele stukken van Louis Vierne.

Daarna maakte ik een deel van het juryconcert van het improvisatieconcours mee, in de Bavo. De improvisaties van de jury waren veel traditioneler dan die van de improvisatiekandidaten zelf. Dat vond ik eigenlijk helemaal niet erg. Vooral de ”Symphonic Dance” van Wolfgang Seifen was erg indrukwekkend en knap. Hier hoorde ik voor het eerst deze week de geweldige Bazuin 32’ van het pedaal.

Als laatste vandaag was ik nog bij een openbare discussie met Jacques van Oortmerssen en Ton Koopman over tempo en uitvoering van stukken. De organisatie had de discussie na het concert van dinsdag, waarbij meer dan duizend mensen aanwezig waren, naar een grotere zaal verplaatst, maar de belangstelling viel tegen. Ik vroeg aan Koopman waarom hij op het concert de fuga in g (BWV 578) in een zo hoog tempo speelde. Daar had hij enkele argumenten voor, met als belangrijkste dat hij het zo het leukst vond. Van Oortmerssen en Koopman maakten de vergelijking met een restaurant: de ene kok kookt anders dan de andere, het is allebei goed, en het is maar wat je zelf het lekkerst vindt. Verder vonden ze allebei dat de akoestiek van een kerk niet uitmaakt voor de speelwijze van een stuk, en dat je in de Bavo, om het goed te horen, wat meer bij het orgel moet gaan zitten.

Al met al was dit een drukke dag. Gelukkig was het juryconcert ’s middags, zodat ik ’s avonds wat rustiger aan doe. Morgen de laatste masterclass van Latry en de finale van het improvisatieconcours.


2. Woensdag 18 juli

Gisteren was weer een drukke dag in Haarlem. Om 11.00 werden we als YoungTalents met onze familie verwelkomd in de Philharmonie en daarbij getrakteerd op een lunch. We maakten kennis met Olivier Latry, de organist van de Notre Dame in Parijs, die ons deze week lesgeeft over de Franse romantiek, en kregen nog een welkomstwoord en uitleg over wat praktische zaken.

Diezelfde middag was de eerste masterclass in de Philharmonie door Olivier Latry. Daar staat een orgel van Cavaillé-Coll dat geschikt is voor de Franse muziek van de 19e en 20e eeuw, in tegenstelling tot het orgel van de Bavo, dat juist veel beter klinkt met barokmuziek. We behandelden het Troisième Choral van César Franck. Ik heb dat stuk niet voorbereid, dus ik heb alleen aantekeningen gemaakt en meegelezen met de bladmuziek. Daar leer je ook al heel veel van. Het orgel is een instrument waar je aan moet wennen, vooral vanwege de specifieke aanslag, en alle speelhulpen zoals koppelingen en combinatiepedalen die met de voeten bediend worden. Het is een type orgel dat weinig voorkomt in Nederland, maar wel erg geschikt voor de Franse muziek. Latry gaf daarom eerst een korte uitleg over hoe het orgel precies werkt. Later deze week zal ik meer vertellen over zijn manier van lesgeven.

’s Avonds ben ik naar de tweede ronde van het improvisatieconcours gegaan. Dat was ook in de Philharmonie. De eerste ronde in de Bavo, afgelopen maandag, heb ik gemist. Er waren acht kandidaten. Elke kandidaat kwam binnen, kreeg applaus, en vervolgens keek hij samen met het publiek naar een speciaal voor de gelegenheid gemaakte (stomme) film van ruim twee minuten. Die film leek in zekere zin wel op de moderne manier van improviseren: de film is nog het best te beschrijven als een aaneenschakeling van nietszeggende, concrete gebeurtenissen: knikkers die door een soort gele gel afgeremd werden en daarna door een soort van badschuim rolden, en daarna luchtbellen in een rode omgeving, en nog meer. Nadat de kandidaat de film had gezien (het was niet de eerste keer dat ze die zagen, ze hadden al aantekeningen van hun voorbereiding bij zich), ging hij achter de speeltafel zitten met de registrant erbij. Dan ging hij improviseren (maximale tijd: tien minuten), steeds tegen de registrant fluisterend wat die moest doen. De jury zat achter een scherm en wist niet wie er speelde, zodat iedereen eerlijk beoordeeld werd.

Naar deze improvisaties luisteren is een totaal andere manier van luisteren dan naar klassieke muziek luisteren: als je op de klassieke manier luistert is het alleen maar herrie. Het gaat vooral om de effecten en de klanken die je maakt om de film uit te beelden in muziek, en niet om de harmonie of de melodie. Daarnaast probeer je steeds te luisteren of je dingen van de film hoort in de improvisaties. Het is interessant om de verschillen te horen tussen de organisten, en ook tussen landen: de Franse organisten improviseerden weer anders dan de anderen.

De meesten lieten een afwisseling horen van loopjes, melodische flarden, langgerekte tonen en willekeurige akkoorden. Vooral de Franse organisten maakten gebruik van aparte klankkleuren. De Nederlander Geerten Liefting speelde nog het klassiekst van allen, met hoorbare structuren en veranderde herhalingen. Ook de Poolse Edyta Müller viel op doordat zij helemaal geen melodieachtige figuren en akkoorden liet horen, maar slechts de vreemdst mogelijke geluiden en tonen uit het orgel wist te krijgen. Door middel van de mechaniek wist ze een raar soort gesuis te maken en op een gegeven moment klonk het alsof een drilboor achter het orgel bezig was. Wat mij betreft trok zij de volle consequenties van de ‘moderne’ muziek. Je kunt je nog wel afvragen of het een kunst is, omdat het klinkt alsof iedereen het kan en omdat ik zelf ook de film niet meer terughoorde. Sowieso is het lastig om de film terug te horen, maar af en toe hoorde ik wel fragmenten van de film terugkomen in de improvisaties.

Uiteindelijk werden de Fransmannen Paul Goussot en Noël Hazebroucq en de Poolse Edyta Müller uitgekozen om door te gaan naar de finale, aanstaande vrijdagavond. Ik ben benieuwd.


1. Aankomst

Afgelopen maandag ben ik aangekomen in Haarlem. Het leek me leuk om er naartoe te fietsen (van Nijkerk naar Haarlem, 70 kilometer), maar helaas regende het continu de laatste 50 kilometer, dus ik ben helemaal nat aangekomen. Samen met mijn familie zit ik op een mooi vakantiepark, ongeveer 10 kilometer van Haarlem af, dus met een halfuurtje fietsen ben ik in Haarlem.

Dinsdagmiddag kwam ik voor het eerst deze week in Haarlem. Het verbaasde mij hoe mooi de stad is. En het mooist is natuurlijk het centrum, de Grote Markt met de Sint-Bavokerk. Ik ging naar het ‘festival office’ in de Philharmonie, een grote kamer met allemaal banken en luxe stoelen, met achteraan een tafel waar de mensen van de organisatie zaten. Verder liep er een aantal organisten rond. Het is opvallend dat je, als je in Haarlem loopt, gelijk ziet wie de organisten zijn. Het zijn dus toch bepaalde types. Bij het festival office kreeg ik een programmaboek en uitleg over allerlei dingen die bij het orgelfestival te doen zijn.

Toen was ’s avonds het eerste concert. Jacques van Oortmerssen en Ton Koopman in de Bavo, een concert met alleen maar werken van Bach. Ik ging er al vroeg heen omdat het wel eens druk zou kunnen zijn. De kerk zat uiteindelijk inderdaad stampvol, nogal uitzonderlijk voor een orgelconcert. Er stonden beeldschermen waardoor je direct op de speeltafel keek. Dat is lang niet altijd een voordeel, zeker bij het spel van Koopman, want als je er eenmaal naar kijkt, blijf je ernaar kijken en vergeet je haast om naar de muziek te luisteren. Het grote orgel, dat zoals altijd weer erg imponerend was, was goed verlicht, waardoor het nog mooier werd. Het volume van het orgel viel me eerlijk gezegd tegen. In Nijkerk is het zo dat het orgel makkelijk de hele kerk vult met een flink volume, maar blijkbaar is dat toch erg lastig in zo’n enorme kerk, ook al heb je zo’n groot orgel. De akoestiek was wel fantastisch, bijna te veel nagalm, maar bij het heldere spel van Koopman heb je daar geen last van.

Voor de pauze speelde Jacques van Oortmerssen. Hij speelde de prachtige fantasie in g (BWV 542/1) in een vrij hoog tempo en de partita over ”Sei gegrüsset, Jesu gutig” (BWV 768), wat mij betreft de mooiste koraalpartita van Bach. De fantasie in g speelde hij indrukwekkend en mooi als openingsstuk. Het spel van Van Oortmerssen is bijzonder goed en netjes, maar het zou toch wat meer zeggingskracht kunnen gebruiken.

Ton Koopman was na de pauze aan de beurt. Hij begon met de fantasie in G (BWV 572), die hij heel virtuoos speelde, erg mooi. Als tweede speelde hij de prachtige koraalbewerking BWV 682 over het lied ”Vater unser im Himmelreich” (het Gebed des Heeren). Dit was zeker een van de hoogtepunten in het programma (dat eigenlijk alleen maar uit hoogtepunten bestond), ook vanwege de heldere registratie. Daarna speelde hij de partita ”O Gott, du frommer Gott” (BWV 767). Ik vind dat Koopman goede registraties voor de partita gebruikte, omdat hij de klankkleuren van de individuele registers goed liet horen. Als slotstuk speelde hij de fuga in g (BWV 578). Hij speelde het veel te snel, het pedaal was haast niet meer hoorbaar. Door dat tempo was het als virtuoos (slot)stuk wel weer erg geslaagd, al deed hij echt geen recht aan het stuk.

Als je Koopman ziet en hoort, valt één ding heel erg op: haast. Als je hem ziet spelen is hij haastig. Hij zet zonder aarzelen in, beweegt onrustig heen en weer met heel zijn lichaam, helemaal als er weer een virtuoze passage in het pedaal komt, hij laat het slotakkoord schijnbaar zo snel mogelijk weer los, en gaat heel snel door naar het volgende deel. Zijn tempi liggen ook heel erg hoog. Hij is zonder twijfel een zeer goede organist, maar dit is toch zijn grootste minpunt. Wat ik waardeer is zijn grote virtuositeit, en vooral het anders zijn dan andere organisten. Dat laatste is wat mij betreft een voorwaarde voor een mooie uitvoering, de persoonlijkheid. Het nadeel hiervan is dat er vaak wel meer kritiek op mogelijk is, maar dat vind ik beter dan een saaie uitvoering.

Al met al was dit concert met deze beide toporganisten een fantastisch begin van mijn periode hier in Haarlem. Ik ben benieuwd wat de komende dagen mij gaan brengen.