Van Lieburg: Calvinisme geen oorzaak orgelellende Nederlandse Reformatie

Omslagafbeelding van de brochure: fragment van een schilderij van Gijsbert Jansz. Sibilla van een gereformeerde dienst in de Grote of Laurentiuskerk te Weesp omstreeks 1635. Aan de westmuur het renaissanceorgel, mogelijk gebouwd door Peter Jansz. de Swart in 1592, afgebroken in 1823. beeld Museum Catharijneconvent

De „oorsprong van allerlei orgelellende” in de Nederlandse reformatiegeschiedenis wordt vaak gezocht in het calvinisme, dat een cultuurvijandige variant van het westerse christendom zou zijn. Ten onrechte, stelt prof. dr. Fred van Lieburg.

De hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam schreef voor de Elburgse Stichting tot behoud van het Nederlandse Orgel (SBNO) een brochure over ”Reformatie in orgelland 1517-1618/1619”. In de brochure, die deze week naar de donateurs van de SBNO is verstuurd, schetst prof. Van Lieburg „het religieuze perspectief” van de orgelcultuurgeschiedenis. „Welke invloed hadden de ingrijpende ontwikkelingen op religieus gebied op de orgelcultuur gedurende de zestiende eeuw?” Beginpunt is 1517 (Luther), eindpunt 1618-1619 (de Nationale Synode van Dordrecht).

Volgens prof. Van Lieburg moeten er in 1517 in het huidige Nederland in parochies en kloosters honderden orgels geweest zijn. Toch bestond er bijvoorbeeld binnen de richting van de Moderne Devotie een zekere reserve tegen het religieuze gebruik van muziekinstrumenten. Bij de Congregatie van Windesheim was het zelfs officieel verboden om orgels binnen de kloostermuren te hebben.

Ook iemand als Erasmus was kritisch over het gebruik van het orgel. „Men moet zich niet laten wijsmaken dat God zich verheugt over een ijdel gemurmel van stemmen, over een melodisch gehinnik van muzikanten of orgels waarmee zij de kerken overal doen weerklinken”, aldus de humanist. Alleen als muziek „met mate, sober en de eredienst waardig” werd toegepast, was er voor hem niets op tegen.

Tegelijk was er een andere ontwikkeling. Een stad als Amsterdam liet in 1539 een prachtig orgel voor de Oude Kerk maken, als trots van de stad, waarop publieke bespelingen werden gegeven. Van Lieburg: „De overheid investeerde graag in orgelbouw en orgelspel om de grandeur van de gemeenschap te garanderen en de kracht van het katholicisme te illustreren.”

Een „neveneffect van deze sociaal-culturele dynamiek was dat de imponerende orgels eens te meer de afspiegeling werden van het rijke roomse leven waartegen anticlericalisme en protestantisme zich juist afzetten.” Net als altaren en heiligenbeelden gingen orgels gelden als symbolen van valse macht, pracht en praal. „Ze belichaamden in visuele en auditieve zin de alomtegenwoordigheid van de kerk van Rome”, aldus Van Lieburg.

Tegen deze achtergrond is het te verklaren dat in 1566, bij de Beeldenstorm, in een aantal gevallen de orgels ook niet veilig waren. Toch hoeven we volgens Van Lieburg niet van een ”orgelstorm” te spreken. „Over het algemeen werden de kerkzuiveringen op ordelijke wijze uitgevoerd en de orgels daarbij ontzien.”

Als vanaf 1572 de calvinisten in de Nederlanden hun eigen kerkelijk leven kunnen gaan opbouwen, is het de vraag hoe er tegen de orgels in de kerken moet worden aangekeken. Organisten, in dienst van stadsbesturen of de kerkmeesters, bleven gewoon op gezette tijden hun bespelingen geven, zondags of doordeweeks. Bekend is dat de synodes van Dordrecht in 1574 en 1578 zeggen dat het „onbetamelijk” is als er tijdens de kerkdienst op het orgel gespeeld wordt. Toch spreken de kerkvergaderingen volgens Van Lieburg geen orgelverbod uit. „Wel een afkeuring van orgelspel en een oproep om samen met de overheid een gewenste oplossing te vinden voor deze kwestie.”

De bepalingen van de verschillende synodes zijn volgens Van Lieburg vaak aangehaald „als voorbeelden van calvinistische cultuurstress, waardoor het rijke (kerk)muzikale leven van de zestiende eeuw tot stilte en stilstand zou zijn gebracht. Maar de bepalingen weerspiegelen veeleer de beperkte speelruimte van de jonge kerk.”

Tijdens de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619 kwam de orgelkwestie niet aan de orde. Terwijl er wel vanuit de classis Kampen was gevraagd om de „papistische organisten” af te laten vloeien en plaats te laten maken voor musici die de „waere ghereformeerde religie” waren toegedaan. De synode deed echter niets met deze suggestie „tot een zuivering van organistenland”, aldus Van Lieburg. „Er kwamen wel ondertekeningsformulieren voor allerlei ambten, maar niet voor de organist.”

Het orgel was tussen 1517 en 1619 onderhevig „aan een complex samenspel van ontwikkelingen op het gebied van politiek, kerkbestuur, theologie, liturgie, vroomheid, volkscultuur, kunst, techniek, wetenschap en wereldbeeld”, zo concludeert Van Lieburg. „Enig besef van de verwevenheid van factoren zou al een belangrijke winst zijn van de oriëntatie op het verleden”, zo stelt de hoogleraar. „Daarbij mag, als het om de Nederlandse reformatiegeschiedenis gaat, de oude, in de tijd van de ‘verzuiling’ ontstane reflex om de oorsprong van allerlei orgelellende in het calvinisme te zoeken, achterwege worden gelaten.”