Recensie: Honderdjarige KDOV in zwaar weer

Het orgel van de rooms-katholieke kerk in Delft. beeld rkdelft.nl
2

Door het afnemende kerkbezoek lopen de inkomsten van rooms-katholieke parochies terug en moet er bezuinigd worden. Professionele kerkmusici zijn dan het kind van de rekening. Parochiebesturen verminderen hun uren, korten de salarissen of vervangen hen door vrijwilligers. Ook de Katholieke Dirigenten- en Organisten Vereniging (KDOV) verkeert in zwaar weer.

Dat beeld schetst dr. Petra van Langen in het boek ”Verheffing en solidariteit”. Ze onderwerpt daarin de 100-jarige KDOV aan een cultuurhistorisch onderzoek, in de steeds wisselende context van haar tijd. Dan gaat het om de kerkelijke richtlijnen van het Motu Proprio (een pauselijk decreet van 1903), het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), de ontwikkeling van het muziekonderwijs, de crisis van de jaren 30, de Tweede Wereldoorlog en de periodes van wederopbouw, economische groei en ontkerkelijking. De titel van het boek wordt overigens niet uitgelegd. Van Langen promoveerde in 2014 op de studie ”Muziek en religie”, over rooms-katholieke musici en de confessionalisering van het Nederlandse muziekleven in de periode 1850-1948.

In 1917 werd de vereniging opgericht als Rooms Katholieke Organisten en Directeuren Vereeniging (RKODV). In 1956 veranderde de naam: Katholieke Dirigenten- en Organisten Vereniging (KDOV). Dirigent, koor en het vocale repertoire gingen voorop. De vereniging heeft zich vooral ingespannen voor betere arbeidsvoorwaarden voor kerkmusici en het verbeteren van de kerkmuzikale kwaliteit. Ook de Nederlandse Organisten Vereniging (NOV), opgericht in 1890, besteedde aandacht aan de artistieke ontwikkeling van organisten, maar bij die vereniging kwamen pas later de rechtspositie en salariëring van de musici aan de orde. De KDOV was verbonden met de ontwikkeling van een specifiek rooms-katholiek muziekleven en doordrongen van die geloofsovertuiging. De NOV ging hier echter tot in de jaren 30 niet in mee. Zij wilde een algemene vereniging blijven.

In dit boek komen de KDOV-organisten er een beetje bekaaid van af. De vereniging is er wel trots op dat kerkmusici als Hendrik Andriessen, Albert de Klerk en Louis Toebosch deel uitmaakten van het bestuur. Toebosch keerde zich tegen wat hij noemde „overbodig orgelspel” en „zeurmuziekjes.” Het spelen van de ”Hochzeitmarsch” of het ”Bruidskoor” uit ”Lohengrin” bij een trouwdienst was hem een doorn in het oog. „Maar wat wil je als je er door de pastoor toe gedwongen wordt in een eerste klas mis, de duurste in die categorie?” Bij alles waar de vereniging voor staat, beslissen uiteindelijk parochiebesturen en bisschoppen, op voorspraak van een door de bisschoppenconferentie benoemde geestelijk adviseur. Veel werd en wordt afgewezen omdat de plannen niet betaalbaar zouden zijn. Dat leidde in de vereniging tot tal van frustraties, toont Van Langen.

De KDOV groeide van 18 naar 341 leden in 1968. In 2017 was dat aantal teruggelopen tot 161. De vlag van de vereniging hangt minder dan halfstok.

Verheffing en solidariteit. Een eeuw Katholieke Dirigenten en Organisten Vereniging 1917-2017, Petra van Langen; uitg. Verloren, Hilversum, 2017; ISBN 978-90-8704-674-3; 136 blz.; € 19,-.