Prof. Hans Fidom: Orgelland Nederland had geen pretenties

Het nieuwe Utopa Barokorgel in het Amsterdamse Orgelpark. beeld Orgelpark

Nederland heeft de rijkste collectie orgels ter wereld, uit elke periode sinds de 15e eeuw. Maar waarom kennen we dan geen grote orgelcomponisten, zoals Duitsland Buxtehude en Bach had? Het heeft te maken met onze calvinistische cultuur. „De afschuw van pretenties is onze pretentie.”

Een klein gezelschap is deze dinsdagmiddag in het Amsterdamse Orgelpark bijeen rond het thema van het orgel in de Nederlandse cultuur. Dertien mensen zijn afgekomen op het seminar van prof. dr. Hans Fidom. Het biedt de hoogleraar orgelkunde aan de Vrije Universiteit de gelegenheid de groep een korte demonstratie te geven van een paar orgels in ‘zijn’ Orgelpark. De warme tonen van het 18e-eeuwse kabinetorgel dat tot voor kort in de Amsterdamse Oude Kerk stond, tegen de robuuste klank van het grote Utopa Barokorgel dat het Orgelpark in maart dit jaar in gebruik nam.

De collectie in het Orgelpark vormt een mooie afspiegeling van bijna zes eeuwen glorie van de Nederlandse orgelbouw. Het Van Stratenorgel is een replica van het oudste orgel dat bewaard is gebleven: het instrument uit 1479 waarvan de kas in de Koorkerk in Middelburg hangt. „De hele wereld is jaloers op dit instrument”, aldus Fidom.

Andere hoogtepunten komen langs. De 16e-eeuwse orgels van Hendrik Niehoff. Of het bijzondere instrument van Schonat in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Het Müllerorgel in de Haarlemse Bavo. En natuurlijk het lievelingsorgel van Fidom: het Hinszorgel in de Kamper Bovenkerk. „Daar had ik als tiener elke week les.”

Een rijke orgelcultuur dus. Waarbij op de orgelkas vaak nogal wat „levenslust” te zien is, aldus Fidom. Allerlei instrumenten, engeltjes en halfontklede dames, zoals op het orgel in de lutherse kerk in Hoorn. „In beschrijvingen zie je dan weer de preutsheid: geen woord over de dames.”

Na-ijleffect

Gezien deze orgelrijkdom is het des te opmerkelijker dat ons land nauwelijks muziek van vergelijkbare betekenis heeft voortgebracht, aldus Fidom. Duitsland heeft Buxtehude, Böhm en Bach. Frankrijk kent Couperin, Widor en Messiaen. Wij hebben dan Sweelinck (Amsterdam) en Cornelis Schuyt (Leiden). Maar die moesten vooral spelen om de mensen uit de kroeg te houden. Er was weinig ruimte voor kunstmuziek, stelt Fidom.

De 18e-eeuwse edelman Unico Wilhelm van Wassenaer was een niet onverdienstelijk componist. Maar hij durfde zich niet bekend te maken, want de status van componisten was laag. Jacob Wilhelm Lustig was in de 18e eeuw organist op het prachtige instrument van Schnitger in de Groningse Martinikerk. Maar van zijn hand hebben we voor orgel eigenlijk alleen een verzameling ”Capricetten”. De 19e eeuw kende „aardige componisten” als Bastiaans en De Lange. „Maar ze zijn niet te vergelijken met Mendelssohn, Franck en Liszt”, meent Fidom.

De 20e eeuw heeft met mensen als Cor en Piet Kee, Daan Manneke en Jan Vriend dan weer wél „ontzettend veel” muziek van hoog niveau opgeleverd. „Het boeiende is dat zij die muziek niet schreven voor 20e-eeuwse orgels, maar voor die uit de 17e en 18e eeuw. Een soort na-ijleffect.”

Wereldlijke achtergrond

Hoe is deze ontwikkeling te verklaren? Volgens de hoogleraar speelde altijd nog de wereldlijke achtergrond van het orgel mee. „Dat is een rode lijn die al vanaf de 3e eeuw voor Christus is te zien. Het orgel werd geassocieerd met het wereldse. Daarom moest de moderne devotie er bijvoorbeeld niets van weten.”

Als gevolg daarvan ontstond er een kerkelijke cultuur waarin weinig aandacht was voor muziek. „Het orgel als statussymbool en begeleidingsinstrument werd getolereerd. Maar pretentieloos orgelspel had de voorkeur. De afschuw van pretenties, dat is onze pretentie.”

Fidom ziet die afschuw nog steeds. Bijvoorbeeld in het feit dat binnen de Protestantse Kerk in Nederland orgeladviseurs en organisten vaak niet meer gediplomeerd hoeven te zijn. Of in de opkomst van de „luidsprekerorgels” met het Hauptwerksysteem. Het begin van een „nieuwe vervalperiode”, noemt hij dat. „Het heel aandachtig luisteren, waarbij je in de klank kruipt, komt op de tocht te staan. Die pretenties worden verdacht gemaakt.”