Piet den Uil pleit voor gemeentezang in cadans

Beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt
6

Verschillende kerkelijke gemeenten in reformatorische kring zijn de afgelopen tijd anders gaan zingen: in cadans. Na een avond met musicus Piet den Uil zijn organist en gemeente erop gespitst gelijktijdig in te zetten.

Zijn eerste project haalde bijna drie jaar geleden de krant: de gemeentezang van de gereformeerde gemeente van Kootwijkerbroek was aangepast. De organisten daar ervoeren het als problematisch dat de gemeente na de inzet van het orgel zeker vier tellen wachtte voor ze begon te zingen. Piet den Uil uit Oud-Alblas, die workshops voor organisten verzorgt, werd om advies gevraagd. Uiteindelijk kwam er een psalmzangavond voor de gemeente, waarna de inzetproblematiek verdwenen was. Kootwijkerbroek zong in cadans.

Inmiddels is Den Uil –zelf gastorganist in hervormd Molenaarsgraaf en dirigent van een paar koren– op meer plaatsen geweest. Ook de gereformeerde gemeenten van Moerkapelle en Wageningen en de christelijke gereformeerde kerk van Noordeloos zingen nu in de maat. Bij vijf gemeenten ligt de kwestie bij de kerkenraad op tafel.

Vanwaar die fascinatie voor het cadanszingen?

„Dat is begonnen toen ik zelf wekelijks als organist speelde – jarenlang in de gereformeerde gemeente van Hendrik-Ido-Ambacht. Maar het is versterkt door mijn activiteiten als dirigent. Ik houd van zingen en van mooi zingen. Bovendien raakte ik geïnteresseerd in groepsprocessen; dat is de gemeentezang ook. Daarnaast krijg ik tijdens workshops die ik aan kerkorganisten geef regelmatig vragen: Hoe krijg ik de gemeente aan het zingen? Wat te doen als de helft van de gemeente later start? En dan komt vaak ook de vraag aan de orde hoe je tussen de regels te werk gaat als organist.”

Wat is precies uw ideaal?

„Laat duidelijk zijn: ik kom niet om het tempo van de gemeentezang te veranderen. Ik geloof namelijk dat iedere gemeente een natuurlijk, authentiek tempo heeft. Het gaat mij om de gelijktijdigheid van zang en orgel in de doorgaande maat van de zang.”

Als u ergens een gemeenteavond verzorgt, laat u de gemeente a capella een psalm zingen. Dan gaat het cadanszingen vanzelf. Het orgel is dus eigenlijk het probleem?

„We komen uit een traditie waarin sprake was van een voorzanger, soms een grote kathedraal, nieuwe melodieën, mensen die lang niet allemaal een psalmboek hadden. Het orgel had in die situatie de rol van een gids door donkere straten. Maar we leven niet meer in 1637. De gemeente kan prima zelf een psalm zingen. Als de stroom uitvalt en iemand zet in, is er niets aan de hand. Ik ben daarom van mening dat organist en gemeente hand in hand moeten gaan. Dat het primaat ligt bij de zingende gemeente. En dat het orgelspel vooral een kleurende functie moet hebben. Alleen bij een onbekende melodie moet je als organist soms leidinggeven, door een fractie eerder te zijn om te laten horen waar de melodie heengaat.”

In de praktijk blijkt dat de gemeente vaak wacht op de organist.

„Bij de gemeente leeft een onuitgesproken code: je begint pas aan een nieuwe regel als het orgel weer heeft ingezet. Daar komt ook de psychologie om de hoek kijken: de angst dat je de enige bent die meteen inzet. Mensen hebben behoefte aan zekerheid. Daarom is een nieuwe manier van zingen ook niet te veranderen vanaf de orgelbank. Dat proberen organisten weleens, maar dan krijg je de klacht dat de organist zit te jagen. Je moet in gesprek gaan met de gemeente en de afspraak maken dat iedereen bij een nieuwe regel direct inzet. En niet te vergeten: de organisten moeten daar speeltechnisch een fijngevoeligheid voor krijgen. Velen van hen denken toetsmatig, vanuit het spelen, en niet vanuit het zingen. Ze moeten echter als begeleider de ‘adem’ van de zangcadans mee kunnen maken. Tijdens workshops laat ik ze daarom hardop meetellen in de overgang van de regels: een-twee-drie-een... Niet iedereen kan dat meteen. Er kan zich bij de organist dan de hardnekkige neiging voordoen elke regel te vroeg in te zetten, bij een gemeente die zelf inmiddels probleemloos in de slag zingt.”

De meeste gemeenten waar u bent geweest zingen isometrisch. Is wat u voorstaat niet veel urgenter bij ritmische gemeentezang?

„Daar is het ook belangrijk. Als er in die situatie te veel ruimte tussen de regels zit, heb je vanuit je ritmebesef het gevoel dat het zingen stagneert. In Molenaarsgraaf, waar ik twee diensten per maand speel, wordt ritmisch gezongen. Ik speel daar inderdaad in cadans. Meestal krijg ik de gemeente daarin mee. Het hangt echter af van allerlei factoren: Hoe groot is de opkomst? Is het de ochtend- of de avonddienst? Als organist moet je daar wel rekening mee houden. Je moet niet doorwalsen als een computer.”

Je zou kunnen redeneren dat isometrische zang toch al onmuzikaal is.

„Daar ben ik het niet mee eens. Ik heb ook bij niet-ritmisch zingen een gevoel van timing. Ook die vorm van zingen heeft z’n eigen normen en de wetmatigheid van de slag. Daarom ervaar ik ook bij niet-ritmische samenzang een sta-in-de-weg als er niet in de slag gezongen wordt. In tal van gemeenten waar ik kwam, had ik het gevoel: ik mag niet beginnen met zingen. Dat is vermoeiend.”

Critici zullen zeggen: de gemeente is geen koor.

„Dat klopt. Volkszang is geen kunstzang. Bij koorzang ben je bezig met de schoonheid, de klankkleur, de uitspraak. Om het zo mooi mogelijk te maken. Bij het cadanszingen van de gemeente gaat het om de orde. We hebben behoefte aan vaste regelmaat. Dat hebben we toch ook bij het klokluiden op zondagmorgen? Precies om 9.50 uur stopt het klokgelui en kan de organist gaan spelen. Tot precies 10.00 uur, want dan komt de kerkenraad binnen. Niemand zegt dan toch dat het geen Prinsjesdag is, waar alles stipt op tijd moet gebeuren? Cadanszingen heeft niets te maken met de gemeente als koor willen laten zingen. Zo’n reactie zou ik daarom eerder verwachten bij het bovenstemzingen, iets wat je overal ziet opduiken: „Meerstemmig zingen? Die rare fratsen doen ze maar op een koor.””

Mensen hebben een bepaalde beleving bij de manier van zingen in de kerk. Sommigen zullen zeggen dat u hun iets afpakt.

„Een enkeling zal dat misschien hebben. De meerderheid in de gemeenten waar ik ben geweest is er juist bijzonder blij mee. Die vraagt zich af waarom er al die tijd anders gezongen is. Let wel: ik kom ergens omdat ik gevraagd word. Dan hebben organisten een probleem gesignaleerd en heeft een kerkenraad het besluit genomen dat er wat mag gebeuren met de gemeentezang. Ik wil niemand iets door de strot duwen. Als een gemeente op de gebruikelijke manier wil blijven zingen: prima.”

Houdt u bij hoe het in gemeenten waar u geweest bent een halfjaar later gaat?

„Ik kreeg juist een paar weken geleden een mail van een organist uit Kootwijkerbroek die vertelde dat het zondags nog steeds goed gaat met het zingen in de slag. Zo nu en dan luister ik van een gemeente nog weleens een dienst na. Soms hoor ik dan iets waarvan ik denk: Zo hadden we dat niet afgesproken. Maar ik kan er niet aan beginnen om dat allemaal bij te houden. Bovendien wil ik niet betuttelend zijn. Als ik een uitnodiging krijg, kom ik graag nog een keer.”

U opereert op persoonlijke titel. Zou het niet logischer zijn als u dit deed onder vlag van bijvoorbeeld de Vereniging Organisten Gereformeerde Gemeenten (VOGG)?

„Ik heb hierover weleens vriendschappelijk contact met de VOGG gehad. Ik kwam met een niet-bestaande activiteit. Ik betreed dus niet haar werkterrein. Bovendien is deze werkwijze helemaal mijn geesteskind. Dat wil ik graag zo houden. Het is voor mij ook veel praktischer om zelfstandig te opereren dan in teamverband. Daarbij: als ik onder de vlag van de VOGG zou gaan werken, zou ik ook te maken kunnen krijgen met andere opinies die sommige vakorganisten daar hebben. Bijvoorbeeld dat samenzang begeleiden ”sturen en stuwen” is. Dat is niet mijn visie. Daarnaast gaat het hier om een fenomeen dat de hele gereformeerde gezindte betreft. Ik heb ervaren dat het de ene keer positief maar de andere keer negatief uitpakt als je onder de VOGG-vlag komt.”

Is het uw droom dat over tien jaar de hele gereformeerde gezindte in cadans zingt?

„Als ik uitga van mijn eigen muzikaliteit wel. Maar dat is niet te verwachten. Niet iedereen zit hierop te wachten. Maar als ik kijk naar de gemeenten waar de zang wel veranderd is, dan geeft me dat een goed gevoel. Als je als zanger bij elke regel altijd een hindernis hebt ervaren, dan is het een verrijking als er nu in de eredienst een natuurlijke manier van zingen ontstaat. Ik realiseer me ook dat het een grote impact heeft. Als een gemeente nu verandert, is dat de manier van zingen die nieuwe generaties meekrijgen.”


In Moerkapelle is de gereformeerde gemeente per 1 april anders gaan zingen. In de christelijke gereformeerde kerk van Noordeloos doen ze dat nu een jaar. De gereformeerde gemeente van Kootwijkerbroek was drie jaar geleden de eerste ‘vrucht’ van het cadansproject van Piet den Uil. Drie reacties uit deze gemeenten. Én de vraag aan voorzitter Dirk Jan Versluis van de Vereniging Organisten Gereformeerde Gemeenten (VOGG) wat zijn vereniging vindt van de activiteiten van Den Uil.

Moerkapelle

In Moerkapelle kwam de vraag naar verbetering van de gemeentezang vanuit het organistenteam, zegt ouderling Kees Zandijk, die vanuit de kerkenraad het contact met de organisten onderhoudt. „Dat ging met name over de inzet van een nieuwe regel, die wat laat op gang kwam. Gemeente en orgel waren niet gelijk. Bovendien was er tussen de organisten verschil in begeleiden. Zij wilden zelf graag van die ongelijkheid af.” Overigens betekent het niet dat het voorheen niet goed ging. „Gelukkig wordt er in Moerkapelle goed gezongen.”

De organisten gingen eerst zelf twee avonden met Den Uil aan de slag over zaken als inzet, pauzes tussen de regels en tempobeleving. Vervolgens was er een gemeenteavond om zang en orgel op elkaar af te stemmen.

Veel gemeenteleden hebben volgens Zandijk positief gereageerd op de avond met Den Uil. „Mensen zeiden: „Ik heb ervan genoten. Dit was muzikaal mooi en het richt je aandacht vanzelf ook meer op de tekst van wat je zingt. Heerlijk, hier heb ik jaren op gewacht!””

Toch was het wel wennen voor gemeente en organisten, de volgende zondag. Zandijk: „Bijvoorbeeld als het gaat om de ademhaling tussen de regels. Daarom hebben de organisten er op advies van Den Uil voor gekozen om duidelijk beide handen tussen de regels op te tillen. Daarmee is het nóg duidelijker voor de gemeente: nú ademhalen!”

Het tempo is door de nieuwe manier van zingen niet omhooggegaan, volgens Zandijk. „We zijn de afgelopen zondagen eerder langzamer dan sneller gaan zingen. Wél is het mijn indruk dat er in heel de kerk meer gelijk wordt gezongen, ook rond de galerij. Door de diepte van de galerij kan daar namelijk een eilandeffect ontstaan. Maar daar is naar mijn inschatting door een goede cadans minder sprake van.”

Noordeloos

Jeroen Bal is organist van de christelijke gereformeerde kerk van Noordeloos. Precies een jaar geleden ging de gemeente, na een gemeenteavond met Piet den Uil, over op het zingen in cadans. De gemeente zingt isometrisch en heeft een mooi tempo, zegt Bal. „Alleen dat ene toontje: dat de organist al inzet voor de mensen komen, dat ervoeren mijn collega Aart Bijkerk en ik als irritant.”

Ze vonden draagvlak voor hun ideeën bij de derde organist, bij de kerkenraad en bij een aantal gemeenteleden. Tijdens de gemeenteavond met Den Uil waren zo’n honderd mensen aanwezig, een derde van de volwassen leden. Ook schreven de organisten een artikel in het kerkblad om een en ander uit te leggen.

De zondag na de gemeenteavond was er dopen. „Dan heb je veel gasten. Het was spannend of de gemeente het direct zou oppakken. Maar het ging heel goed.” Een jaar later gaat het nog steeds meestal goed. „Het is belangrijk dat je als organist alert blijft”, zegt Bal. „Je hebt de neiging om te vroeg te zijn. De gemeente kan prima zelf zingen. Als organist moet je de rust hebben om daarop te wachten.”

Bal is „heel blij” met de nieuwe manier van zingen. „Voordeel is ook dat mensen bewuster zijn gaan zingen.” Negatieve reacties uit de gemeente heeft hij niet gehoord. „Wel kregen we laatst complimenten in ons jaarlijkse gesprek met de kerkenraad. Het tempo is bij alle organisten nu gelijk.”

Kootwijkerbroek

Gerrit Polinder, organist van de gereformeerde gemeente van Kootwijkerbroek, kan zich de eerste kerkdienst na de gemeenteavond met Piet den Uil nog goed herinneren. „In het verleden zat je als organist nogal eens te trekken – overigens zonder resultaat. Maar nu, direct al bij de openingspsalm, waren de mensen bij elke regel gewoon op tijd. Wat een gewaarwording!”

Dat was zo’n drie jaar geleden. Hoe is de situatie nu? Polinder: „Onlangs heb ik in een mail naar Den Uil gezegd dat ik nog alle zondagen dankbaar ben met het bereikte resultaat, en dat het boven verwachting goed blijft gaan.” Wel heeft de gemeentezang ‘onderhoud’ nodig, zegt de organist. „Het is de taak van ons als begeleiders om scherp te blijven en om mogelijke ‘terugval’ van de gemeente bij te sturen.”

De organisten zijn „bijzonder dankbaar” met de gemeentezang-in-cadans, aldus Polinder. Ze hebben „met een open houding” en „als één team” samengewerkt in dit project. Ook noemt hij de welwillende houding van ds. G. Beens en de kerkenraad.

Vanuit de gemeente hebben de organisten eigenlijk alleen positieve reacties gehad, zegt Polinder. „Behalve een opmerking dat het gevoel is dat de gemeente sneller is gaan zingen. Dat klopt niet wat betreft het tempo, want dat is hetzelfde gebleven. Wel zijn we nu eerder aan het eind van een psalmvers. Als de inzet van de eerste regel drie tellen sneller gaat dan voorheen en vervolgens bij elke volgende regel een tel sneller, dan ben je met een psalmvers van acht regels tien tellen eerder aan het eind dan voorheen.”

VOGG

Piet den Uil heeft een relatie met de Vereniging Organisten Gereformeerde Gemeenten, doordat hij werkt voor de VOGG-examencommissie. Dat hij zijn workshops voor organisten en de gemeenteavonden over cadanszingen onder eigen vlag doet, is geen enkel probleem, zegt voorzitter Dirk Jan Versluis. „Wat hij doet, zou niet misstaan in het aanbod van onze vereniging. Maar toen Piet er spelenderwijs en zonder commerciële doeleinden in is gerold, hadden wij het nu eenmaal nog niet bedacht. Het was toen op geen enkele manier passend om die activiteit alsnog geforceerd in te willen lijven bij onze club. Omdat de VOGG geen commerciële intenties heeft, storen we ons niet aan ‘concurrentie’ van iets waar we ons muzikaal gezien verwant mee voelen. Piet doet mooi werk en heeft er plezier in.”

De VOGG heeft formeel geen standpunt over het cadanszingen, zegt Versluis. „Het is dus als zodanig ook geen ideaal voor ons. Persoonlijk vind ik het muzikaal gezien een heel goede zaak. En het is mooi als er draagvlak voor is of ontstaat binnen een gemeente. Maar als vereniging willen wij vooral dienstbaar zijn met onze diensten en producten. We willen inspireren en verbinden. Beleid maken of opiniëren hoort niet bij onze corebusiness, zeker niet wanneer het gaat over iets wat een relatief beperkte omvang heeft. Wel is het zingen in cadans binnen onze Cursus Kerkelijk Orgelspel een punt van aandacht.”

Door het werk van Den Uil verandert het muzikale landschap in de achterban van de VOGG: de ene gemeente zingt in cadans, de andere niet. Hoe ziet Versluis dat? „Ik vind dat geen probleem. De couleur locale is er ook als het gaat de berijming van 1773 of de oude rijm, het al dan niet organiseren van orgelconcerten of het tempo van de kerkzang. Iedere gemeenschap en gemeente is anders, eigenheid is erg belangrijk. Zolang de geloofsbelijdenis bindt, mag er variatie zijn in de inkleuring.”