Pier de Jong komt in hogere sferen met de hoorn

Hoornist Pier de Jong uit Ermelo. Beeld RD, Henk Visscher Henk Visscher

Hoornist Pier de Jong zou het liefst in een professioneel symfonieorkest spelen. „Mijn muzikale hart gaat open bij het werk van grote meesters als Mahler en Bruckner.” Bij de meeste orkesten is echter de zondag in het geding. „Laten bedrijven geld steken in een gezelschap van professionele christenmusici.”

Pier de Jong (47) uit Ermelo is in reformatorische kring een van de weinige hoornisten met een professionele opleiding. Hoe dat komt? „De hoorn is een duur instrument. Een tweedehands trompet kun je voor minder dan 1000 euro aanschaffen, bij een hoorn betaal je algauw 1500 euro. Nieuw kost het instrument 3000 euro.”

Een hoorn is niet speciaal een moeilijk instrument, zegt de musi­cus uit Ermelo. „Hoewel, volgens het Guinness Book of Records zijn de hobo en de hoorn de lastigste instrumenten. Een hoorn is wel weerbarstig, heel ”kicks”-gevoelig. Dan hoor je dat je de goede toon niet in één keer kunt pakken.”

Hij laat een hoge-F-hoorn zien en laat ’m horen; één hand in de beker. „Deze wordt wel de Bach-hoorn genoemd. Omdat dit instrument wordt gebruikt om muziek van Bach mee uit te voeren. Eigenlijk klopt het niet, want in de tijd van Bach had je de natuurhoorn zonder ventielen. Maar in Bachs muziek heeft de eerste hoornist vaak een heel hoge partij. Speel je die op de gebruikelijke waldhoorn, dan kost dat veel te veel inspanning. Daarvan is de koperen buis veel langer dan bij de hoge-F-hoorn.”

Twee weken geleden moest De Jong bij een uitvoering van het Weihnachts-Oratorium met dirigent Patrick van der Linden de eerstehoornpartij spelen. „Dat had ik niet eerder gedaan. Toen ik twee weken van tevoren de partituur zag, bleken het gigantisch hoge partijen te zijn. Ik heb maar snel een hoge-F-hoorn geleend en dagelijks zo veel mogelijk geoefend. Het ging uiteindelijk redelijk; een hoge-F-hoorn klinkt sowieso minder zuiver dan de gebruikelijke waldhoorn. Maar ik zou me er ook meer in willen bekwamen.”

Warme klank

Pier de Jong groeide op in Drachten, waar het gezin was aangesloten bij de christelijke gereformeerde kerk. Zijn vader speelde als koperblazer bij de plaatselijke muziekvereniging, z’n moeder zong, z’n zus speelde saxofoon. „Een muzikaal nest dus. Ik ben begonnen op de bugel. Algauw werd het de corhoorn. Die is makkelijk te bespelen voor kinderen omdat-ie kort is. Later kreeg ik een waldhoorn. Dat is nog steeds het instrument waar ik het liefst op speel. Zo’n bijzondere sound! Een warme klank, dicht bij de natuur.”

Dankzij een bevlogen docent, Oeds Jongsma van de plaatselijke muziekschool, raakte Pier zodanig verslingerd aan de hoorn dat hij naar het conservatorium wilde. Hij ging eerst naar de Muziek­pedagogische Akademie in Leeuwarden, die later verhuisde naar Groningen. Daar haalde De Jong zijn diploma docerend musicus (DM). Voor uitvoerend musicus (UM) studeerde hij vervolgens aan het conservatorium in Zwolle. De opleiding rondde hij in 1993 cum laude af. Met respect spreekt De Jong over zijn hoorndocent, de Tsjech Oldrich Milek.

Al tijdens zijn studie liep De Jong aan tegen het probleem van de zondag. „Je moest soms opdrachten bij orkesten doen, ook op zondag. Ik heb lang op twee gedachten gehinkt en ook weleens iets op zondag gedaan. Maar altijd met een dubbel gevoel.” Toen hij na zijn studie als dienstplichtig muzikant in het leger terechtkwam, liep De Jong tegen hetzelfde probleem aan. „Spelen bij herdenkingen vond ik nog tot daaraan toe, maar optreden bij schietoefeningen of een wijnfeest: daar had ik grote moeite mee. Gelukkig kreeg ik gedeeltelijk vrijstelling.”

Na zijn dienstplicht bleef De Jong nog drie jaar als beroeps­musicus in het leger werken, waarbij hij ook wel op zondag optrad. „Na drie jaar heb ik de definitieve beslissing genomen om iets anders te gaan zoeken en ook niet meer op zondag te werken.” Hij ging een aantal koren dirigeren en stortte zich op het lesgeven aan koperblazers. „Ik toerde de hele Veluwe over. Het was eigenlijk gekkenwerk. Ik ben weleens in slaap gevallen terwijl ik les zat te geven.”

Via z’n lespraktijk leerde De Jong zijn vrouw kennen: een weduwe met negen kinderen in Ermelo. In 2006 trouwden de twee en kwam De Jong kerkelijk terecht in de gereformeerde gemeente. In diezelfde tijd kreeg de musicus een baan als muziek­docent aan het Hoornbeeck College in Kampen, waar hij inmiddels een aanstelling van 70 procent heeft. „Ik geniet ontzettend van het contact met de leerlingen en van de koor­projecten die we elk halfjaar doen. Binnenkort hebben we bijvoorbeeld een concert rond Engelse hymnes.”

Opgetild

Inmiddels krijgt De Jong in reformatorische kring steeds meer uitnodigingen om hoorn te spelen tijdens zangavonden en cd-opnames. „Ze beginnen me te ontdekken. Ik zal mezelf nooit aanbieden, alles is op aanvraag.”

De laatste cd die hij maakte, is een opname met Arie van der Vlist (orgel) en Corné van der Giessen (panfluit), waarbij de drie in de Martinikerk in Bolsward eenvoudige bewerkingen van psalmen en hymnes spelen. „Ik zou daar zelf niet meteen voor kiezen. We worden overspoeld met cd’s. Maar ik kan er wel van genieten, omdat de teksten en melodieën mooi zijn. Het zijn ook leuke jongens, die als amateur heel goed kunnen spelen. Ik zie zo’n cd als een tussen­doortje.”

Want de hoornist heeft iets anders nodig om z’n muzikale ei kwijt te kunnen. „Het liefst zou ik in een symfonieorkest spelen, om samen met andere professionals de grote werken te studeren en uit te voeren. Want daar gaat m’n muzikale hart open: bij grote meesters als Mahler en Bruckner. Dan heb ik het gevoel dat ik word opgetild, in hogere sferen kom. Ja, dat kan ik heel goed verenigen met mijn geloof. Als ik Mahlers Vijfde Symfonie speel, dan denk ik: Heere, wat bent U groot.”

De Jong participeert wel in het Hineni Symfonie Orkest en in Stichting Begeleidingsorkest (SBO) van Herman Drost, waarmee hij muziek van onder anderen Strauss, Dvorak en Schubert uitvoert. „Geweldig!” Ook een uitvoering van het Weihnachts-Oratorium, zoals onlangs met de stichting Ars Musica, biedt hem veel. „Dat was een uitdaging, grensverleggend.”

Toch heeft hij een nog hoger ideaal. „In de Verenigde Staten heb je orkesten die door bedrijven worden gefinancierd. Dat zou hier toch ook moeten kunnen? Er zijn volgens mij genoeg bedrijven die daar geld in willen steken. Dan zou je een beroepsorkest van christenmusici kunnen oprichten. ’s Ochtends repeteren, ’s middags vrij, ’s avonds uitvoering. En op zondag niet spelen.”

De hoorn zou in zo’n orkest een prominente rol kunnen krijgen. „Schumann heeft gezegd dat de hoorn de ziel van het orkest is. Haal ’m weg, en het orkest heeft geen ziel meer. Dat is mooi gezegd. De hoorn met z’n warme klank is inderdaad een instrument dat verbindend werkt in een orkest.”

Klik hier voor (geluidsfragmenten van) de cd ”Psalmen en Hymnes”.