Peter Van de Velde voelt zich ambassadeur van Belgische orgelmuziek

Staccato
Peter Van de Velde voelt zich ambassadeur van Belgische orgelmuziek. Beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Vandaag: de Belgische organist Peter Van de Velde.

Als hij een werk technisch in de vingers heeft, laat hij het nog een jaar rijpen voordat hij de muziek het concertpubliek voorschotelt. Peter Van de Velde, organist van de Antwerpse kathedraal, wil kwaliteit bieden. „Daartoe voel ik mij als ambassadeur van de kerk en van België verplicht.”

Het was even schrikken toen de negentienjarige Peter Van de Velde (1972) kennismaakte met Stanislas Deriemaeker, zijn docent aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium. „Ik had de technisch meest moeilijke werken in mijn vingers en speelde Deriemaeker een groot Regerwerk voor. Eerlijk gezegd was ik trots dat zoiets mij lukte. Deriemaekers enige reactie was: „Ik heb er niets van begrepen.”

De conservatoriumdocent zette vervolgens Franse barokmuziek op het menu van zijn laatste leerling. „Voor mijn gevoel zette ik een forse stap terug. Later begreep ik dat Deriemaeker dit deed om muzikaal heel diep te kunnen gaan. Hij hamerde altijd op het maken van muzikale lijnen en leerde mij orgelmuziek overbrengen op publiek dat op grote afstand van het orgel zit. Daar heb ik nu veel profijt van in de kathedraal.”

Van de Velde kruipt achter de speeltafel op het grote orgelbalkon en etaleert de registers van ‘zijn’ Schyvenorgel uit 1891. Met negentig stemmen heeft hij keus genoeg. Een keur aan achtvoeten en strijkers trekt voorbij. „Niet de kracht, maar de poëzie vormt de sterke kant van dit orgel.”

1. Ik speelde als jochie liever orgel dan dat ik voetbalde.

Lachend: „Dat klopt. Ik woonde in Doel, een dorpje zonder muziekschool. Tijdens kerkdiensten raakte ik gefascineerd door het imposante van een orgel. Maar ook door de mysterieuze bijdrage van het instrument aan de mis. Ik vond het fascinerend dat één persoon zo’n veelkleurig instrument, in feite een orkest, bedient. Toen ik negen was, kreeg ik van de pastoor een paar muziekboeken. Hij gaf me ook een sleutel van de kerk en ik mocht er spelen wanneer ik wilde. Dat deed ik dagelijks. Soms kwamen mijn vrienden luisteren en uiteindelijk hebben we met elkaar een kerkkoortje opgericht. Ik heb mijzelf leren orgelspelen. Op mijn zestiende kreeg ik als leerling van de zogeheten kunsthumaniora in Antwerpen mijn eerste orgellessen. Een kunst­humaniora is een middelbare school waar je naast de reguliere stof veel muzieklessen krijgt. Ik heb het toelatingsexamen net gehaald. De school vond het twijfel­achtig of ik geschikt was voor de opleiding, maar besloot mij een kans te geven. Eenmaal op de kunsthumaniora ging ik pijlsnel vooruit.”

2. Mijn functie in de kathedraal is de mooiste organistenpost van België.

„Ik denk het wel. Het betreft de grootste kathedraal van de Lage Landen, die het grootste orgel van België herbergt. Verder is het de enige Belgische kathedraal waaraan een jongenskoor is verbonden. De orgel­concerten trekken landelijk gezien de meeste bezoekers, gemiddeld 200 mensen bij middagconcerten en 300 tot 400 man tijdens avondconcerten. We streven naar een hoog niveau en letten bij het uitnodigen van organisten niet alleen op hun faam, maar gaan vooral na of ze een boeiend programma brengen.”

3. Ik speel orgel over de hele wereld. Toch ben ik het liefst in de kathedraal.

„Reizen is muzikaal verrijkend. Ik geef jaarlijks zo’n vijftig orgelconcerten, waarvan dertig in het buitenland. Toch blijft dat laatste wat vluchtig, omdat je na een paar dagen al vertrekt. Op mijn Schyvenorgel kom ik verder qua interpretatie. Gemiddeld studeer ik drie avonden per week in de kathedraal. Nog altijd ontdek ik nieuwe regis­traties. Als ik niet in de kathedraal terechtkan, ben ik vaak in de Sint-Michielskerk in Antwerpen te vinden, waar een drieklaviers instrument staat, gebouwd door de Belgische firma Stevens in 1909.”

4. De kathedraalruimte inspireert enorm. Dat heb ik nodig om elk weekeinde met overtuiging vier diensten te spelen.

„Een bakstenen bunker uit de jaren zestig zonder akoestiek inspireert in elk geval niet. De kathedraal met zijn ruime akoestiek is een prachtig verlengstuk van de orgels. Ik zou in een weekeinde elke mis dezelfde orgelwerken kunnen spelen, omdat er bij iedere dienst andere mensen komen. Toch wissel ik de muziek af, want dat geeft mijzelf meer voldoening. Op het balkon van het Schyvenorgel ligt een stapel werken die ik in mijn vingers heb. Gelukkig lees ik snel noten en vormt het geen probleem als ik een koorwerk met een concertante orgelpartij in mijn handen krijg dat ik dezelfde dag moet spelen. Aan de andere kant, als ik een groot orgelwerk technisch onder de knie heb, laat ik het nog een jaar muzikaal rijpen voordat ik het op een concert speel.”

5. Ik ben een muzikale alleseter. Specialisatie is aan mij niet besteed.

„Mijn voorkeur ligt bij de negentiende en de twintigste eeuw. Toch wil ik mij niet beperken en zal ik altijd Bach blijven spelen. Hoe ik Bach speel, hangt van het instrument af. Op het romantische Schyvenorgel kies ik een romantische aanpak en oriënteer ik mij op de manier waarop Bach in de negentiende eeuw werd gespeeld. Op het Metzler­orgel met zijn op de barok geënte klankkleur richt ik mij op de hedendaagse historische uitvoeringspraktijk.”

6. Werk van bekende orgelcomponisten wordt te vaak gespeeld. Ik kies daarom voor muziek van onterecht vergeten 
Belgen als De Maleingreau en Peeters.

„Als organist van een belangrijke Belgische kathedraal voel ik mij ambassadeur van mijn land. Ook voor buitenlandse concerten neem ik vaak werk van eigen bodem mee. Concertgangers horen deze muziek vaak voor de eerste keer en reageren enthousiast. Belgen zijn bescheiden. Dat is op zich een goede eigenschap, maar niet als het om de verspreiding van muziek van eigen bodem gaat. Bij mijn zoektocht naar Belgische orgelmuziek ben ik vooral aangewezen op bibliotheken, want veel werken zijn nooit uitgegeven of worden niet meer gedrukt. Natuurlijk moet de muziek kwalitatief hoogstaand zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij werken van Paul de Maleingreau en Guy Weitz. Het klankidioom van de eerste beweegt zich tussen dat van Vierne en Tournemire. Weitz studeerde bij Guilmant en Widor en werd sterk door Franck beïnvloed. Zijn muziek is toegankelijk.”

7. Ondanks mijn passie voor onbekende componisten droom ik er soms van om het oeuvre van de grootste in België geboren componist, César Franck, op cd vast te leggen.

„Ja, maar dat doe ik nu nog niet. Op dit moment ben ik nog druk met componisten als Vierne, Widor en Dupré. Franck neem ik pas op als de tijd er rijp voor is en ik iets denk toe te voegen.”

8. Het Schyvenorgel wordt gerestaureerd en zwijgt vanaf Kerst drie jaar. Ik weet nog niet goed hoe ik die tijd moet door­komen.

„Ja, dat zal best lastig worden. Gelukkig heb ik het Metzlerorgel nog. Dat beschikt met 3 klavieren en 45 stemmen over veel mogelijkheden. Ik zal mij wel meer moeten concentreren op barokmuziek, maar ik ga ook op zoek naar onbekende Duitse romantische componisten. Van Arno Landmann en Ludwig Thiele heb ik al mooie dingen gevonden. Hun muziek klinkt goed op de Metzler. De Schyven heeft mijn voorkeur. Ook omdat het een historisch orgel is. Een kopie van een Stradivariusviool zal altijd een kopie blijven. Dit geldt ook voor het Metzlerorgel, hoe oerdegelijk en muzikaal dit instrument ook is. Voor het orgelspel in de diensten speel ik twee weekeinden per maand op het Schyvenorgel en twee weekeinden op het Metzlerorgel. In een maand met vijf weekenden is mijn keus snel gemaakt en kies ik drie keer voor de Schyven.”

9. Een organist die alleen orgel speelt, doet zichzelf tekort.

„Dat hoeft niet per se, al moet je wel kennis van andere instrumenten hebben. Ik heb jaren altviool en trompet gespeeld, maar beperk mij door tijdgebrek nu tot de piano. Ik bezoek vaak symfonische en kamer­muziekconcerten en liedrecitals. Dat verruimt de horizon. Sowieso is het goed om je als uitvoerend musicus regelmatig in een luisteraar te verplaatsen. Ik vorm een duo met de violiste Nadja Nevolovitsch en geniet van het samenspel. Instrumentalisten en zangers hebben vaak een andere kijk op muziek maken, en daar steek ik veel van op. Met de cd die Nadja en ik maakten, hoop ik mensen die niet zo snel een orgel-cd zullen kopen voor mijn instrument te interesseren.”

10. Liever een dag zonder eten dan een dag zonder muziek.

„Klopt. Ik ga zelden op vakantie en kies dan voor een korte periode. Als ik drie dagen geen orgel heb kunnen spelen, ga ik mij minder goed voelen.”


Levensloop Peter Van de Velde

De wieg van Peter Van de Velde (1972) stond in het Belgische dorpje Doel. Hij leerde zichzelf orgel spelen en begeleidde vanaf zijn twaalfde diensten in de plaatselijke kerk. Op zijn zestiende kreeg hij zijn eerste muziekonderricht op de Antwerpse kunsthumaniora, een middelbare school waar naast de gewone lessen veel muziekvakken worden gegeven. Van de Velde studeerde orgel aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen. Hij was er de laatste leerling van Stanislas Deriemaeker. In 2002 volgde hij zijn leermeester op als organist van de Antwerpse kathedraal. Hij beschikt in deze kerk over een vierklaviers Schyven­orgel uit 1891 en een drieklaviers Metzler­orgel uit 1993. Het Schyven­orgel is de komende drie jaar in restauratie. Het betreft vooral een technische restauratie, omdat veel mechanische onderdelen versleten zijn. Om ervoor te zorgen dat de orgelklank beter kan ontsnappen, wordt het orgelfront 75 centimeter naar voren gezet. Van de Velde speelt elk weekeinde vier diensten in de kathedraal. Hij is ook verbonden aan de Sint-Michielskerk in Antwerpen, waar hij iedere zondagavond de dienst begeleidt. Hij geeft concerten over de hele wereld en is regelmatig in Nederland te horen. Van zijn hand verschenen verschillende cd’s.

Meer informatie: www.petervandevelde.org